Sex in coevorden pjes anaal

sex in coevorden pjes anaal

Kopervitriool en sublimaat mogen niet opgelost worden in ijzeren of blikken vaatwerk; hiervoor gebruike men houten of steenen. Wanneer het graan zeer sterk besmet is met steenbrandsporen, doet men goed het vooraf in water onder te dompelen, om de geheele brandkorrels te verwijderen.

Voordat het dan met een ontsmettingsmiddel wordt behandeld, moet het goed gedroogd zijn. Na de ontsmetting van het graan moet er voor gezorgd worden, dat niet opnieuw besmetting kan plaats vinden. Dit kan gebeuren, wanneer het behandelde graan op plaatsen wordt uitgespreid, waar besmet graan gelegen heeft, 27 dus op dorsch vloeren, zolders enz.

Het ontsmette graan mag in geen geval in dezelfde zakken gestort worden, waarin het zich voor de ontsmetting bevond, tenzij deze zakken ook ontsmet zijn. Ook de zaaimachine kan een bron van herinfectie zijn. Men ontsmette ieder jaar opnieuw al het zaaigraan! De abnormaal sterke vermeerdering van de gestreepte den- nenrups, die in in verscheiden dennenbosschen in ons land werd waargenomen, en waardoor groote schade werd aangericht, gaf mij aanleiding tot het schrijven van het onderstaande artikel, waarin ik de door mij gedane waarnemingen en ook die van anderen, welke mij bekend werden, heb neergeschreven, en een overzicht heb gegeven van wat in vroegere jaren in ons land en daarbuiten omtrent de dennenrupsenplaag bekend werd; terwijl ik verder het licht heb laten vallen op de oorzaken, welke de vermeerdering van het schadelijke insekt kunnen tegenhouden en in de hand werken, — op de gevolgen, welke de dennen onder- vinden van de vreterij, — en ten slotte op de middelen ter be- strijding en voorkoming van eene gestreepte dennenrupsenj laag.

De gestreepte dennenrups ontstaat uit de eieren van den dennenuil. Allereerst beschrijf ik dit insekt in zijne verschil- lende levenstoestanden van ei, van rups, van pop en van vlinder. Het ei is lichtgroen, cirk eirond, met eene platte onderzijde en eene gewelfde bovenzijde, die op haren top een uitstekend wratje draagt, hetwelk in 't midden weer ingedeukt is.

De vorm is ongeveer die van een Malva-vrucht. Meestal zitten de eieren in rijtjes van 6 — 8 stuks of meer aan eene naald. De rups heeft, behalve drie paar borstpooten, vijf paar achterlij f spooten; maar in den jeugdtoestand zijn de eerste twee paren achterlij f spooten kort, waardoor de gang dan wordt onge- veer als die van eene spanrups. De volwassen rups PI. De kop is groot, glimmend geel met eene roode, netachtige teekening, zoo- dat dit lichaamsdeel bij oppervlakkige beschouwing rood lijkt.

Men treft nog dezelfde overlangsche strepen aan als bij de jonge rups. De gele overlangsche streep, die zich bij de jonge rups aan elke zijde bevindt, wordt vaak tot eene witte overlangsche streep met een oranjerooden buitenrand. Vóór iedere vervelling worden de gestreepte dennenrupsen donkerder, op sommige plekken van het lichaam bijkans zwart; met name is dat met den kop het geval.

Kort na de vervelling zijn zij veel lichter groen gekleurd. Wanneer men eene rups aanraakt, scheidt zij een geel- of groenachtig vocht af. Van de volwassen rupsen gaan er tot in een Liter. De pop is glimmend bruin, 18 m. Zij ligt in den grond of in het strooisel, niet door een cocon bedekt.

Aan het achtereinde twee dorentjes. Op de rugzijde van het 4e lid bevindt zich een overdwars liggend groef - je, door een donker gekleurd walletje omgeven. Grootste afmetingen van het wijfje PI. De lang- werpige voorvleugels hebben eene geel-roodachtig grijze grond- kleur. Twee lichte zigzaglijnen loopen op eenigen afstand van elkaar langs den buitenrand. Verder eenige witachtige vlekjes, die aan de voorvleugels een bont, gevlekt voorkomen geven. Ove- rigens is de teekening zoowel als de kleur 'dezer vleugels bij ver- schillende individu's nogal verschillend.

Er zijn ook exemplaren, die vrijwel grijs zijn en weinig rood meer bevatten. De met wollige haren bekleede kop en het borststuk hebben de grondkleur der voorvleugels, terwijl het achterlijf en de achtervleugels bruin- achtig grijs zijn. De achtervleugels hebben wit franje. De sprieten 30 van het wijfje zijn draadvormig ; die van het mannetje vertoonen twee rijen korte zaagtand] es, welke weer korte borstels dragen.

Het einde van het achterlijf is bij het mannetje vanlange haren voorzien, bij het wijfje niet. Bij het verlaten van de pop kruipen de uilen tegen de dennen- stammen op en blijven daar eenige uren, alvorens zij kunnen wegvliegen. Men ziet ze vliegen vroeg in het voorjaar, soms reeds in de tweede helft van Maart en verder in April, enkele jaren tot in Mei. Verloren i deelt mee, dat in de uilen, wegens den buitengewoon zachten winter, reeds in Februari begonnen uit te komen, en dat zij vóór April reeds alle uit de pop waren gekropen.

Eene zoo vroegtijdige ontwikkeling echter schijnt slechts hoogst zelden voor te komen, want geen andere schrijver maakt daar verder melding van. Niet slechts bij nacht vliegen de uilen, maar ook over dag ziet men ze tusschen de dennen rondvliegen ; soms, als er wilgen in de nabijheid der grove dennen zijn, ziet men ze op de bloeiende wilgenkatjes om honig te zuigen.

Doorgaans echter worden de uilen tegen den avond meer beweeglijk dan over dag; de paring grijpt altijd bij avond of bij nacht plaats, bij voorkeur bij warm weer. Van koud weer, zooals wij dat in Maart en April vaak kunnen hebben, lijden de uilen veel; soms sterven ze dan zonder hun geslacht te hebben voortgeplant.

Zeker is het ten deele daaraan toe te schrijven, dat eene sterke vermeerdering van de gestreepte dennenrups slechts bij uitzondering voorkomt. Schopt men in Maart of April met kracht tegen dennenstammen, dan ziet men op koude dagen de uilen uit de boomen vallen, terwijl men dit op warme dagen niet ziet gebeuren, daar de uilen dan óf rondvliegen, óf in de kronen der boomen zittende, zich stevig vasthouden.

Nu is het bekend, dat in 't al- 1 Zie Mr. Hij schrijft, dat deze zijne waarnemingen omtrent de wijze van leggen van de eieren heeft gedaan bij uilen, die in gevangenschap verkeerden, n. Hij meent, en zonder twijfel terecht, dat men uit het gedrag van het dier in gevangenschap niet mag afleiden, dat het in het bosch zich ook zoo zou gedragen.

Altum maakt verder melding van het volgende feit: Dit zou, volgens Altum, on- mogelijk zijn, wanneer de dennenuil zijne eieren altijd in reeksen van 6 — 8 stuks of zelfs meer aan ééne naald legde Ratzeburg teekent er zelfs 17 op eene enkele naald! Ook door mij werd herhaaldelijk het feit geconstateerd, dat men in gewone jaren uit de meeste denneboomen in 't geheel geene gestreepte dennenrupsen kan uitkloppen, uit sommige andere slechts één of twee, althans nooit bijv.

Maar 't is bekend, dat de gestreepte dennenrups uiterst gevoelig is voor minder gunstig weer, vooral in hare jeugd en ook later 1 Altum. Er zijn echter eenige soorten, die ze aan houtige planten déponeeren, zooals de krake- ling Diloba coeruleocephala , die zijne eieren altijd afzonderlijk aan stam, takken en twijgen van allerlei loofhout en ooftboomen legt, — de abrikozenuil [Acronycta tridens V. Toch vond ik in jaren van sterke vermeerdering de eieren van den gammauil soms in groote massa's bij elkaar aan kruidach- tige planten.

Overigens heeft Ratzeburg blijkbaar niet alleen in zijne kweekkastjes de eieren op rijen aan de naalden zien zitten. Blijkbaar heeft Ratzeburg dus ook wel de eieren aan de naalden van gevelde dennen waargenomen, vastgehecht op de door hem aangeduide wijze. Toch schijnt de dennenuil inderdaad niet altijd zijne eieren in rijen aan de naalden vast te hechten. Immers Bechstein 2 schrijft, dat het wijfje gewoonlijk hare eieren ieder afzonderlijk aan den top der naalden vastkleeft, en alleen wanneer de uil zeer veel voorkomt, 2 tot 4 eieren aan ééne naald legt, terwijl ook Pfeil 3 vermeldt, dat het wijfje de eieren aan den top der naalden deponeert.

Het komt mij voor, dat het eierleggen niet altijd op de zelfde wijze geschiedt; dat soms de eieren afzonderlijk aan de naalden worden vastgehecht, aan iedere naald één; maar dat andere keeren, met name als er zeer veel uilen zijn, de eieren op rijen langs eene naald worden vastgekleefd. En daar men in 't alge- meen op het eierleggen van den dennenuil niet veel zal letten in jaren, waarin er niet veel uilen vliegen, en bovendien alleen bij een gevelden boom de wijze van bevestiging der eieren waar- neembaar is, zoo zal het vastkleven van de eieren afzonderlijk wel niet zoo heel vaak worden waargenomen.

Escherich i geeft als het aantal eieren, dat eene vrouwelijke dennenuil kan leggen, op: Laatstgenoemde geleerde schrijft mij, dat een zijner adsistenten in het achterlijf van een rijp wijfje eenmaal zelfs tot eieren heeft gevonden.

Korten tijd vóór het uitkomen der rupsen worden de eieren roodachtig van kleur. Dit jaar kwamen zij, volgens door mij ontvangen be- richten, onder Doorn ook vretende voor aan berken. Heidemaatschappij, die mij vele belangrijke gegevens omtrent het voorkomen van de dennenrupsenplaag in verschillende deelen van ons land ver- schafte, meldt mij, dat de rupsen op onderscheiden plaatsen ook aan de naalden van de Douglas-spar, aan die van Chamycae- paris Menziezii en aan de bladeren van berk en Amerikaanschen eik vretende werden aangetroffen.

Bij laatstgenoemde boomen werd, volgens den Heer Van Lonkhuyzen, de bladsteel door- gevreten, maar de bladschijf niet aangetast. Heide- maatschappij, schrijft, dat het voedsel van de gestreepte dennen- rups wel bijna steeds uit dennennaalden bestaat, maar dat bij gebrek hieraan ook naalden van Douglassparren en Sitkasparren worden beknaagd.

Het blijft intusschen nog de vraag, of de dennenuil ook zijne eieren aan de naalden of bladeren van andere boomen dan den groven den legt. Immers de gestreepte dennenrups is een insekt, dat zeer kies- keurig is: In ISjarige en jongere bosschen wordt ook wel eens nu en dan eenige beschadi- ging waargenomen, maar veel heeft die gewoonlijk niet te be- teekenen, en meestal vertoont zij zich daar slechts sporadisch en aan enkele boomen, die ook nooit geheel worden kaalge- vreten.

Blijkbaar heeft men te doen met eene vreterij door insek- ten, die als zeer jonge rupsen uit andere bestanden in de buurt zijn komen overwaaien of daar heen heengetrokken zijn.

Is een groote denneboom geheel kaalgevreten, dan laten de rupsen zich op den grond vallen en begeven zich naar een ande- ren denneboom, waar zij weer tegen den stam opkruipen, om te zien of daar wat te halen is. Is dit niet het geval, dan probeeren zij het bij nog een anderen denneboom.

Door dat heen en weer- trekken, stam af en stam op, zonder dat het haar gelukt, passend voedsel te vinden, geraken de rupsen uitgeput en worden zij zeer traag i. Wanneer een bosch zoo goed als geheel is kaalgevreten, trekken de dennenrupsen soms in groote scharen uit het bosch weg, soms over wegen heen, om zich in een ander bosch te vestigen.

Ontmoe- ten zij dan op hunnen weg andere Coniferen, dan gaan zij ook daaraan vreten; zelfs tasten zij bij uitzondering loofhout aan. Terwijl in eene conferentie, welke op 25 September j.

Van Dissel, Inspecteur van het Staatsboschbeheer, de volgende Heeren bijeen om te spreken over de heerschende dennenrupsenplaag en om na te gaan wat zou kunnen worden gedaan om eene herhaling der plaag te 'voorkomen: Jager Gerlings, adjunct-inspecteur van het Staatsboschbeheer; J.

Mulder, houtvester van H. Tutein Xolthenius, opperhoutvester van H. Mulder steeds eene verbreiding van het Westen naar het Oosten te hebben waargenomen, terwijl ook de Heer E. Zelf heb ik hieromtrent geene ervaring, en ook de in 't buitenland verschenen werken geven daaromtrent geen licht. Het komt mij het meest waarschijnlijk voor, dat de verbreiding der plaag niet al- tijd in dezelfde richting plaatsvindt, maar dat de rupsen grooten- deels trekken in die richting, waar zich nog dennen bevinden, die nog niet zijn kaalgevreten ; ofschoon uit de mededeelingen van den Heer Vogel te Apeldoorn wel degelijk blijkt, dat de rupsen zich daarin nog wel eens vergissen.

Ook de wind kan bij de uit- breiding der plaag zeker eene rol spelen, meer bepaaldelijk in den tijd, dat de rupsen nog klein zijn en draden spinnen. Dan kunnen zij in grooten getale van den eenen boom naar den ande- ren overwaaien, al geschiedt dit met de jonge gestreepte dennen- rupsen niet in die mate als met de jonge rupsen van den non- vlinder, die in hare eigenaardig gebouwde haren een apart apparaat voor de verspreiding door de lucht bezitten.

De vreterij der gestreepte dennenrups wordt eerst tegen het einde van Mei of in 't begin van Juni, op een tijd, dat de rupsen haar spinvermogen hebben verloren, duidelijk zichtbaar. Meestal tegen het laatst van Juli zijn de rupsen volwassen; echter kan dit in sommige jaren reeds het geval wezen in 't laatst van Juni, andere jaren eerst in Augustus. In jaren van sterke vermeerdering bereikt soms een betrekkelijk groot aantal rupsen den toestand, waarin zij gaan verpoppen, eerst in Augustus of nog later; enkele levende rupsen werden in nog in Novem- ber gezien.

Op 29 Juli waren in sommige bosschen op de Veluwe, welke ik bezocht, de rupsen reeds alle uit de boomen verdwenen ; in andere bosschen echter vielen er, als men de stammen in schudding bracht, nog vrij talrijke rupsen uit de boomen, en daaronder sommige, die nog niet veel meer dan half volgroeid waren.

Waarschijnlijk waren dat dennenrupsen, bij welke de geregelde voeding gedurende langeren of korteren tijd onder- broken was geweest, doordat zij zich uit een geheel kaalgevreten boom hadden laten vallen om na eenig rondtrekken in een ande- ren terecht te komen, waar nog voedsel was te vinden.

De on- gelijkmatige groei der verschillende individu's is in jaren van de Koningin, te Apeldoorn ; Dr. Oudemans, president der Nederl. Entomologische Vereeniging en van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, te Putten, en ondergeteekende.

De volwassen rupsen begeven zich naar den grond: Vaak hoopen zij zich een korten tijd lang aan den voet der stammen op; later bewegen zij zich gewoonlijk nog een poosje over den grond voort, alvorens zich te verschuilen op de plaats, waar zij in pop gaan veranderen; zoodat men niet juist altijd onder een boom, waarin zeer veel rupsen zaten, later ook zeer veel poppen vindt.

De rupsen zoeken blijkbaar naar eene gelegenheid, die haar voor de verpopping en overwinte- ring het meest geschikt lijkt, Waar de grond dicht met mos of strooisel bedekt is, blijven zij meestal in deze bodembedekking. Gaarne kruipen zij in een hoop molm weg, dat ontstaan is uit een vergaan stuk hout; op zulke plaatsen vindt men soms later groote massa's poppen in een hoop bijeen. Waar de bodem vrij kaal is, daar kruipen zij gewoonlijk eenige centimeters diep in het zand weg.

Kortom zij richten zich er geheel op in om zoo goed mogelijk tegen de winterkoude beschut te zijn. Dat hebben zij dan ook wel noodig, omdat de pop van de gestreepte dennen- rups niet door een cocon bedekt is.

Dikwijls vindt men reeds in Juni eenige poppen op de bovenaangegeven plaatsen; in Juli wordt haar aantal daar veel grooter ; in Augustus vindt men, be- houdens enkele uitzonderingen, allen verpopt. De poppen blijven gewoonlijk tot in Maart of in April op hare schuilplaatsen liggen; dan komen de uilen te voorschijn. In 't algemeen vreten de jonge gestreepte dennenrupsen aan- vankelijk de jonge naalden op, die zich pas aan de zich ontwikke- lende scheuten hebben gevormd.

Hoitsema; , bl. Het overgebleven gedeelte van de naald wordt nu door de rupsjes af gevreten, en wel zoo, dat zij zich geheel in de scheede, die de beide naalden omvat, invreten, en door het wegvreten van alle jonge naalden de knopontwikkeling voor het volgende jaar onmogelijk maken.

Een zoodanig bosch, zegt de Heer Brants, heeft het aanzien als ware het door een boschbrand verschroeid. De schildering, die Dr. Wttewaall van de wijze van vreten van de gestreepte dennenrups geeft, is zeker in 't algemeen juist. Toch grijpt de vreterij niet altijd geheel op de door hem aangewezen wijze plaats. Regel is het zonder twijfel, dat de jonge gestreepte dennen- rupsen beginnen met de jonge naalden van de meischeuten aan te tasten; maar dit schijnt toch geen regel zonder uitzonderingen te zijn.

Althans de Heer Insinger op Oostereng aan den Grind- weg tusschen Bennekom en Heelsum, verzekerde, dat in zijne dennenbosschen juist de oude naalden werden aangetast, ook door de nog jonge rupsen. Hoewel ik geen gelegenheid had mij persoonlijk van de juistheid van deze waarneming te overtuigen en ik ook in de literatuur daarvan geene voorbeelden vond ver- meld, twijfel ik daaraan in 't geheel niet.

Misschien zijn in de bosschen van den Heer Insinger de meischeuten door de eene of andere oorzaak laat uitgeloopen en waren de jonge rupsen dus verplicht, althans in den aanvang, zich met oude naalden tevreden te stellen, en zijn zij, eenmaal aan dien kost gewend, daarbij gebleven. Dat de jonge gestreepte dennenrupsen vaak beginnen met een groot stuk van de jonge naalden af te bijten zie PI.

In had ik tot mijn spijt in 't begin van de plaag geen gelegenheid, aangetaste dennenbosschen te bezoeken. Toch schijnt dat afbijten van de grootste stukken der jonge naalden door de jonge rupsen althans niet geregeld voor te komen Immers andere schrijvers dan Wttewaall maken van deze eigenaardigheid geen afzonderlijke melding. Volgens laatstgenoemden schrijver vreten de jonge rupsen, nadat zij de grootste helft van de jonge naalden hebben afge- beten, niet alleen de basale gedeelten van deze naalden op, maar Wttewaall zegt, dat zij zich ook geheel invreten in de scheede, die de beide naalden omvat; m.

Die op het ein- de van de als regel kort blijvende takjes tusschen de beide naal- den gezeten knoppen zijn in gewone omstandigheden voor den boom van geen beteekenis, omdat zij zich dan niet verder ont- wikkelen. Maar in abnormale omstandigheden, bijv. Deze knoppen groeien tot scheuten uit. En nu heb ik verschillende bosschen op de hooge Veluwe, onder Ede, bij Doorn en Maarsbergen, die ik in den voorzomer geheel kaalgevreten zag, zoodat zij geheel dor 1 Judeich und Nitsche; t.

Ook de Heer E. Dingeb te Lunteren schrijft mij medio October: Van naderbij gezien blijken de afgevreten scheuten verscheiden slapende knoppen te hebben ontplooid en nieuwe naalden te heb-ben verwekt. Opmerkelijk is het echter, dat daarbij van geen regelmaat spake is.

De naalden zijn zeer willekeurig over de scheuten verspreid ; waar de keurige afgepastheid van de plaat- sing der naalden in normale omstandigheden treft, stuit men nu op een onregelmatigen wasdom ; ik kan het niet anders uitdruk- ken dan: Maar als geen voortgezette of nieuwe beschadiging zich voordoet, geloof ik dat wij onze bosschen zullen behouden.

Overigens is het wel zeker, dat de gestreepte dennenrupsen dikwijls wèl de scheedeknoppen vernielen of althans de latere uit- groeiing daarvan onmogelijk maken, al geschiedt dit niet altijd op de wijze als Wttewaall aangeeft. Dat dan die nog zoo kleine naalden geheel tot aan de basis toe worden opgegeten en dat dan tevens allicht de aan die basis geplaatste kleine knop wordt vernield of beschadigd, ligt voor de hand. Ratzeburg - schrijft, dat de jonge rupsen zich in de mei- scheuten inboren, waardoor deze reeds spoedig gaan sterven, tengevolge waarvan de in de twijgen beschikbare voedende stof- fen, die anders voor de verdere ontwikkeling der scheut zouden hebben gediend, nu bewerken dat de zich tusschen de naalden van de vóórjarige twijgen bevindende knoppen gaan zwellen en 1 JuDEicH und Nttsche, t.

Die Waldverderber und ihre Feinde" 6e druk, bl. Later beknaagt zij de naalden, van de randen af ; ten slotte vreet zij deze geheel af, met de scheeden ; vaker aan de benedenste takken dan hooger in den boom. Leipzig, deel I, bl. Maar aan deze worden de eieren niet gelegd. Verder komt het mij onwaarschijnlijk voor, dat de. De rups klimt vol- gens hem tegen de naald op tot dicht aan den top toe, en begint dan aan den eenen kant daarvan te vreten ; meestal vreet zij dan op eene plaats de naald zoover door, dat de top der naald naar beneden valt; doorgaans het kleinste gedeelte daarvan.

Dan gaat de rups door met vreten, en strekt hare vreterij uit tot bin- nen in de scheede waarbij dan dikwijls ook wel de tusschen de scheede zittende knop zal worden uitgevreten.

Eckstein zegt verder ongeveer het volgende: De aldus aangetaste scheuten hangen naar beneden en kunnen, als zij blijven doorgroeien, zich aan haar uiteinde Aveer oprichten. Schalen, Schlagen und Verbeiszen an lebenden Waldbaumen entsteht" Berlin, , deell, bl.

Volgens Ratzeburg wordt het doodgaan van den kroontop in hoofdzaak veroorzaakt door het ontstaan van een overgroot aantal. Overigens wil ik mij hier niet verder verdiepen in de uitvoerige mededeelingen en ver- klaringen, die Ratzeburg omtrent de ,,8piesse" der dennen- boomen en hun ontstaan geeft; wat hij daaromtrent meedeelt, is soms alles behalve duidelijk en overtuigend. Ook heeft nie- mand later het doodgaan van heele kroontoppen als gevolg van de vreterij van de gestreepte dennenrups kunnen constateeren ; en sommige van Ratzeburg's afbeeldingen zie bijv.

Plaat l t van zijn. Uit het bovenstaande blijkt, dat de waarnemingen en op- vattingen van de verschillende schrijvers over de dennenrupsen- vreterij elkander op niet weinige punten tegenspreken. Deels kan dit het gevolg zijn van het trekken van onjuiste conclusies zoo- als door Ratzeburg werd gedaan in zake het vermeende ont- staan van doode toppen in de kronen tengevolge van de vreterij der gestreepte dennenrupsen , deels kan het zijn, dat door ver- schillende onderzoekers ten onrechte werd aangenomen, dat de rupsen in de vrije natuur zich op de zelfde wijze zouden ge- dragen als zij dat deden in den gevangen toestand, waarin de waarnemingen werden gedaan.

Maar toch schijnt het dat de bedoelde insekten zich niet onder alle omstandigheden precies gelijk gedragen. Evenals de wijze van eierleggen in rijen bijeen aan de naalden of ieder ei afzonderlijk verschillend schijnt te zijn alnaarraate de rupsen in normaal of in abnormaal groot aantal in de dennenbosschen voorkomen zie bl.

Het laat zich hooren, dat in bosschen, waar de rupsen in overmatig groot aantal aanwezig zijn, zoodat de boomen voor al die rupsen geen voedsel genoeg opleveren, eenvoudig alles wordt opgevreten: Op een boom, waar het aantal rupsen veel minder groot is, schijnen deze zich te bepalen tot het af vreten van de naalden. De gestreepte dennenrups heeft onder gewone omstandigheden. Vrij zeker heeft ook de temperatuur invloed. Vrij algemeen bestaat de meening, dat een dennenbosch, 't welk kaalgevreten is, per se moet afsterven, zoodat raadzaam zou zijn, een zoodanig bosch hoe eerder hoe beter te vellen.

Dit is eene meening, waartegen met kracht dient te worden opgekomen. Eerst als men zeker weet, dat het bosch zich niet zal herstellen, moet men het gaan kappen ; en dat moet dan ook niet worden uitgesteld: De Inspecteur van het Staatsbosch- beheer heeft zeer terecht reeds in den afgeloopen zomer in ver- schillende dagbladen tegen overijlde velling van sterk beschadig- 1 Reeds bij gelegenheid van de nonvlinderrupsplaag, die in vooral in de dennenbosschen bij Tilburg en Alphen N.

Het is bekend, dat naaldboomen in 't algemeen veel meer lijden, wanneer zij worden kaalgevreten, dan loofboomen.

Bij een loof boom, die in 't voorjaar geheel kaal- gevreten is, loopen zeer spoedig weer knoppen tot bebladerde twijgen uit, zoodat bijv. Bij een naaldboom blijven de naalden meerdere jaren zitten; bijv. Wordt dus een grove den totaal kaalgevreten, dan zal deze — wanneer hij in leven blijft en slechts op normale wijze naalden vormt — eerst drie jaar na den kaalvraat weer het normale aantal naalden bezitten.

De assimilatie en daarmee de groei van den kaalgevreten denneboom zou derhalve pas drie jaar na den kaalvraat weer normaal kunnen zijn. Een loof boom, die in 't zelfde jaar, waarin hij werd kaalgevreten. Lijden dus in 't algemeen de naaldboomen van kaalvraat, veel meer dan de loofboomen, — niet alle naaldboomen ver- houden zich in dezen gelijk.

JEen bosch van grove dennen, dat geheel of bijkans geheel is kaal- gevreten, kan onder gunstige omstandigheden gespaard blijven; althans wanneer de insektenplaag het volgende jaar uitblijft.

De voornaamste reden van dit verschil tusschen fijnspar en groven den is deze: Wan- 45 neer echter de eindknop eener scheut en de krans van knoppen, die vlak daaronder staat, vernietigd of benadeeld wordt, zoodat in 't volgende jaar van eene normale verlenging en vertakking van de scheut geen sprake kan zijn, dan kunnen de onder nor- male omstandigheden slapend blijvende, tusschen de twee naal- den geplaatste knoppen gaan uitgroeien tot van naalden voor- ziene twijgen.

Zoodanige scheuten zitten elkaar vaak in den weg en benemen elkander lucht en licht; velen ervan komen dan ook slechts tot geringe ontwikkeling; vaak ontwikkelen zich de naalden aan zulke scheedescheuten niet normaal zie bl. In elk geval zorgen zij ervoor, dat er spoedig weer van naalden voorziene scheuten zijn, die maken dat de assimilatie niet geheel stilstaat. Een kaalgevreten sparreboom krijgt derhalve in het jaar van den kaalvraat geen nieuwe naal- den ; bij een groven den kan dat wel gebeuren.

Of dit geschiedt of niet, hangt veel af van de wateropname van den boom. Soms zwellen de slapende knoppen spoedig na den kaalvraat op en ontwikkelen zij zich nog in het zelfde jaar tot nieuwe scheuten; in andere jaren geschiedt dit eerst in 't jaar, volgende op de kaalvreterij.

Het spreekt van zelf, dat wanneer bij een groven den de jonge scheuten geheel of bijkans geheel worden kaalgevreten, de eind- knop en de daaronder geplaatste krans van knoppen daarvan de gevolgen ondervinden. Deze ontwikkelen zich dan minder goed dan in normale omstandigheden, en kunnen zelfs doodgaan. Dat zijn scheedescheu- ten, die zoo goed als niet in de lengte groeien, zoodat de naalden zeer dicht opeen in een rozet geplaatst zijn, op de wijze als de bladeren van eene huislookplant op den kort gebleven stengel.

Soms hebben die opeengehoopte naalden den gewonen vorm, maar soms zijn zij breeder dan gewoonlijk en aan hunne kanten van kleine tandjes voorzien PI. Al zullen de op elkaar gedrongen en elkander dik- wijls in den groei belemmerende naalden der rozetten zeker de assimilatie minder bevorderen dan die der gewone scheedescheu- ten, — het komt mij voor, dat het voor den boom toch beter is, dat zij zich vormen dan dat elke vorming van nieuwe van naalden voorziene scheuten achterwege bleef.

De naalden der rozetten assimileeren dan toch in elk geval nog wat; en wanneer bij totalen kaalvraat elke vorming van nieuwe scheuten in het jaar der vreterij achterwege bleef, zou in dat jaar van assimilatie in 't geheel geen sprake kunnen zijn. Dat zij den boom zouden uitputten, zooals Nusslin beweert, is mij niet duidelijk. Ik ben van meening, dat de rozetten wel degelijk meehelpen, om den kaalgevreten boom in leven te houden.

Toch wil ik gaarne aannemen, dat zij een slecht voorteeken zijn. Het ontstaan van rozetten in plaats van gewone scheede- scheuten is derhalve een bewijs, dat de sapstrooming in den boom zwak is, m. Wat de tweede rubriek van boomen betreft, kan met eenigen grond worden vermoed, dat niet veel kans hebben zich te herstellen die kaalgevreten dennen, van welke de knoppen aan den top der in 't voorjaar gevormde scheuten voor een groot gedeelte dood zijn en waar de groene tint der kronen het gevolg is van het ontstaan van talrijke rozetten.

Ook als de in 't voorjaar gevormde scheuten en zelfs de vóórjarige twijgjes in den winter slap en week zijn, is dat een slecht voorteeken. Algemeen werd vroeger de gestreepte dennenrups voor een der gevaarlijkste, zoo niet voor de allergevaar lij kste, gehouden van de verschillende rupsensoorten, die onze dennenbosschen kunnen teisteren.

Wtte- WAALL 4 vermeldt, dat in en in Gelderland Hektaren dennenbosch door de gestreepte dennenrups werden aangetast, en dat daarvan Hektaren geheel werden ver- nield; dus bijkans de helft van de aangetaste bosschen zouden toen te gronde zijn gegaan.

Van toen af aan besloot hij, na een dennenrupsen- plaag eene meer afwachtende houding aan te nemen, en sinds- dien kon hij meerdere malen constateeren, dat er door vreterij van de gestreepte denneni'ups, zelfs bij totaal kaalvreten, be- trekkelijk zeer weinig hout doodging.

Toen men, waarschijnlijk tengevolge van de door Ratzeburg opgedane ervaringen, in Duitschland meer algemeen het dadelijk vellen van de door de gestreepte dennenrups kaalgevreten bos- schen naliet, en liever eerst wachtte om te zien, hoe de boomen zich na de vreterij hielden, schijnt men daar vrij algemeen te hebben vastgesteld, dat de gevolgen dezer vreterij in zeer vele gevallen werkelijk niet zoo ernstig zijn, als men zich vroeger voorstelde.

In de afdeeling Borne- mannspfuhl van het Biesenthaler distrikt was er kort vóór mijne vestiging te Eberswalde een ernstige vreterij van de gestreepte dennenrups geweest. In en '70 kenmerkten zich de het ergst aangetaste gedeelten nog door zeer dunne kronen. Nu echter is er nauwlijks meer verschil te zien tusschen deze gedeelten en andere perceelen van gelijken leeftijd.

Echter zijn daar in de eerste jaren na de vreterij meer dunne stammen dood- gegaan dan elders Men schijnt aan de vreterij van deze rups vroeger eene veel te groote schadelijkheid te hebben toe- geschreven. Alleen bij het optreden van rozetten is het doodgaan van de boomen hoogst waarschijnlijk.

Het behoeft wel geen betoog, dat het verschil in bodem en standplaats en de gesteld- heid van het weer, alsmede het al of niet terugkeeren van de plaag in het volgende jaar er grooten invloed op hebben, wat 1 Ratzeburg,. Algemeen wordt in Duitschland de gestreepte dennenrups minder gevaarlijk geacht dan de dennenspinner. Het lag eenigszins voor de hand, a priori aan te nemen, dat de gestreepte dennenrups veel schadelijker zou zijn dan de den- nenspanrups, omdat zij zich zooveel eerder in 't jaar in de den- nenbosschen vertoont.

Eerstgenoemde vreet in den voorzomer Mei tot Juli , de tweede in de tweede helft van den zomer tot in den herfst Juli tot October.

De gestreepte dennenrups ver- nielt dus de naalden reeds in 't begin van het vegetatietijdperk; laatstgenoemde laat althans hun nog een halven zomer den tijd om te functioneeren. Daarbij komt, dat de gestreepte dennenrups, althans gewoon- lijk, in jeugdigen toestand de pas uitgeloopen naalden der mei - scheuten vernielt, en eerst later de oudere naalden gaat af vreten; terwijl de dennenspanrups uitsluitend deze oudere naalden eet en slechts dan de naalden van het laatste jaar aantast, wanneer er anders niets meer te eten is.

Ook vreten de gestreepte dennen- rupsen soms de tusschen de naaldenparen gezeten knoppen uit, en komt het misschien voor, dat zij de jonge meischeuten zelve aanvreten.

Bij de dennenspanrups niets van dat alles. Ofschoon alleen de ervaring kan beslissen, welk van de twee insekten ge- vaarlijker voor de bestanden is, zoo schijnt het toch wel voor de hand te liggen, dat de gevolgen van eene sterke vreterij door de gestreepte dennenrups veel ernstiger voor de bosschen zullen zijn, dan die van eene even sterke vreterij van de spanrups.

Maar hoewel ik dit in 't algemeen ook zonder aarzelen aan- neem, zoo geloof ik toch, dat — althans bij volkomen kaalvraat — enkele malen het omgekeerde het geval kan zijn.

De vreterij van de gestreepte dennenrups grijpt zóó vroeg in 't jaar plaats, dat er voldoende tijd is voor de vorming van ,, scheedescheuten", waardoor het in den voorzomer kaalgevreten bosch in den na- zomer en tegen 't najaar weer eenigszins groen wordt. Een boom, die eerst in den nazomer en den herfst al zijne naalden verliest, kan in dat zelfde jaar geen scheedescheuten vormen: Ik bezocht verschillende streken, waar de vreterij voorkwam, zooals Zeist, Doorn, Maarsbergen en omgeving, Ben- nekom en Dieren.

Ik wendde mij tot verschillende beheer- ders van bosschen, die mij zeer waardevolle inlichtingen gaven, en vernam ook bij gelegenheid van de bespreking, die op 25 Sep- tember op initiatief van den Heer Van Dissel te Utrecht gehouden werd, van de in de noot op bl. Nadere inlichtingen omtrent de plaag op de Over-Veluwe met schets- kaartjes, waarop de aangetaste perceelen waren aangeduid, liet de Heer Tutein Nolthenius mij op mijn verzoek door den Hof jager J.

Heide-Maatschappij, den Heer J. Aan allen, die mij bij de verzameling van gegevens hunnen steun hebben verleend, bied ik mijnen hartelijken dank; inzonderheid aan de Heeren Tutein Nolthenius en Van Lonkhuyzen, aan wie ik wel de meeste gegevens te danken heb. Voor zoover ik heb kunnen vernemen, kwam eene abnormale vreterij van de gestreepte dennenrups voor in de volgende streken: Bij Raalte de Luttenberg 5 H.

Wat de Noordelijke Veluwe betreft, de rups is in 't algemeen tot meer dan normale vermeerdering gekomen in alle dennen- bosschen, die men aantreft in den vierhoek, gelegen tusschen Apeldoorn, Voorthuizen, Harderwijk, Nunspeet, Epe en Apel- doorn; echter maar zeer weinig in het gedeelte van dezen vijf- hoek, gelegen ten Oosten van de lijn Garderen, Elspeet, Gortel Epe.

In sommige gedeelten van dit Oostelijke stuk van den 51 bovenaangeduiden vierhoek was zelfs in 't geheel geen sprake van eene abnormale vermeerdering; zoo bijv. Zoo zijn in de buurt van Staverden, in het Leuvenumsche het Sprielder en het Speulderbosch groote stukken in erge mate beschadigd.

Een groot bosch bij Welna, Noordoostelijk van Vierhouten, is over zijne geheele oppervlakte beschadigd, maar slechts zeer weinig, zoodat men nauwlijks van eene beschadiging kan spreken. De Heer Van Lonkhuyzen bericht mij, dat het zeer moeilijk is, een eenigszins juiste opgave te verstrekken van het aantal Hektaren, dat in den vierhoek Apeldoorn- Voorthuizen-Harder- wijk-Nunspeet-Epe- Apeldoorn is aangetast; maar hij meent te mogen aannemen, dat daar omtrent Hektaren sterk be- schadigd en ruim Hektaren in miiidere mate beschadigd zijn.

Bij Lunteren is, volgens mededeelingen van den Heer R. Deze bosschen liggen op den Berg, op de grens van Lunteren en Wekerum. Koker te Arnhem behoorende bosschen zijn 9 Hektaren sterk aangetast. Onder Renkum werden 20 Hektaren kaalgevreten op Bosch - beek en Buunderkamp. Onder Arnhem werden op den Kemperberg nabij Schaars- bergen 25 Hektaren en in de gemeentebosschen Hektaren zeer beschadigd.

In het,, Lierderbosch" strekte zich eene aantasting over enkele Hektaren uit. Verder kwamen er minder belangrijke aantastingen voor op den Michelenberg en bij de Woeste Hoeve. In de omstreken van Soest, Soestdijk en Baarn, waar ik een onderzoek instelde, kwam de plaag niet voor evenmin in het Gooi. Aansluitend aan Wallenburg ligt, naar de Heer W.

Het geheel in de bos- schen gelegen Austerlitz ligt te midden van sterk bevreten dennenbosschen. Op het landgoed Ruitersberg te Doorn werden nog 20 Hek- taien oud bosch zeer sterk bevreten. In de buurt van Driebergen werden op het landgoed van Mejufvrouw Luden 48 Hektaren ongeveer 20 jarige dennen erg beschadigd, üp de bezittingen van den Heer Godin de Beaufort werden 25 Hektaren 70 — 80 jarige dennen sterk aangetast; min- der sterk werden beschadigd 20 Hektaren ongeveer 40 jarigeen Hektaren 25 tot 30 jarige grove dennen.

Onder Amerongen zijn van Graaf van Alden burg Bentinck meer dan Hektaren oude en jonge bosschen meer of minder sterk aangetast, waarvan ruim een 30 Hektaren in zeer hooge mate. Het kan natuurlijk zijn, dat op nog enkele andere plaatsen in ons land eenige beschadiging voorkwam; allerwaarschijnlijkst was deze echter van betrekkelijk geringe beteekenis.

Het verdient opmerking, dat bijna overal waar de gestreepte dennenrups zich vrij sterk of zeer sterk had vermeerderd, de nonvlinderrups ook in grooter aantal voorkwam dan in normale jaren.

Ik vermeld dan ook het boven- staande alleen voor de curiositeit. De commissie schreef, dat zij inzage had gehad van verschillende stukken, verslagen, enz. Landbouw", eene algemeene opgave en bekendmaking van die middelen te doen, welke in de voor ons liggende stukken met zoo veel nauwkeurigheid en veel belovend uitzigt, als op de beste gronden eener verstandige Theorie en ondervinding steunende zijn opgegeven.

Gelukkig dat de commissie althans de door haar zelve uitgedachte kostelijke, niaar ook kostbare bestrijdingsmiddelen niet aan het nageslacht heeft onthouden! Het schijnt, dat niemand van degenen, die iets geschreven hebben over de dennenrupsenplaag, welke in en in ons land heerschte, iets van die plaag zelve gezien heeft; omtrent de uitgebreidheid der plaag, omtrent de gevolgen der vreterij, om- trent middelen, die men eventueel ter bestrijding heeft aange- wend niet: Toen zijn vooral door Dr.

Brants in Gelderland en door Mr. Verloren in Utrecht nauwgezette en uitvoerige onderzoekingen aangaande de plaag ingesteld. Zoo vaag en onnauwkeurig de aanteekeningen zijn, die ons ter beschikking staan omtrent de dennenrupsenplaag in en , zoo nauwgezet en uitvoerig zijn de waarnemin- gen, die gedaan zijn over de plaag in — Backer te Oosterbeek bracht een verslag uit over een proef, door hem genomen, om door middel van het drijven van varkens in de bosschen de poppen te laten vernielen en daardoor de plaag voor een volgend jaar te trachten te voor- komen 2.

Verloren i hoogst belangrijke waarnemingen, terwijl hij ook een overzicht gaf van de door hem uit de rupsen gekweekte parasieten. Naar aanleiding van de in de jaren en gedane waar- nemingen, zij het mij vergund het volgende mee te deelen. Ofschoon van eene eigenlijke plaag niet eerder dan in kon worden gesproken, zoo bleken toch reeds in de ge- streepte dennenrupsen op verschillende plaatsen in meer dan normaal aantal aanwezig te zijn; terwijl men op vele andere jjlaatsen, waar in dat jaar de meer dan normale vermeerdering der rupsen niet was waargenomen, toch reeds vroeg in vele pophuiden van den dennenuil en cocons of poppen van parasieten sluipwespen en parasietvliegen van dit insekt in het strooisel aantrof: In sommige bosschen vertoonde zich eene meer dan normale vermeerdering der rupsen eerst in , terwijl eene eigenlijke plaag ernstige vreterij of kaalvraat pas in optrad.

Zoo kon meer dan gewone vermeerdering reeds in te Zeist en de Vuursche worden geconstateerd, terwijl in daar vele bosschen ernstig werden aangetast of zelfs geheel kaal werden gevreten. Te Driebergen vertoonde zich eerst in eene meer dan gewone vermeerdering van de dennenrupsen, waar- op pas in eene ware plaag met kaalvraat optrad. Ook in Gelderland kwam in sommige bosschen ernstige vreterij reeds in voor, in andere bosschen eerst in In had de plaag zoowel in Gelderland als in Utrecht overal geheel opgehou- den.

Omtrent de uitbreiding der plaag in en 45 vind ik voor Utrecht vermeld, dat in deze provincie ernstige vreterij en belangrijke beschadiging alleen werd waargenomen in bos- schen bij de Vuursche, Soest, Zeist en Driebergen. Wat Gelder- land betreft, zijn uitvoerige inlichtingen omtrent de uitbreiding der plaag in de verschillende gemeenten door de gemeentebestu- ren verstrekt aan eene corporatie, gevormd uit de toen bestaande 1 Mr. Deze opgaven zijn in een Staat vereenigd, dien ik hieronder wil weergeven.

Voor iedere gemeente ot meestal voor ieder daarbinnen gelegen bosch- distrikt werd zooveel mogelijk opgegeven lo de oppervlakte van van de daarin gelegen dennenbosschen, 2o de oppervlakte van de aangetaste perceelen bosch, 3o de oppervlakte van het ge- deelte daarvan, dat geheel vernield werd, 4o de leeftijd der aan- getaste dennen.

Bosch van Mollerus Geen opgave Totaal Gelderlan 1. Nadat toch de com- missie erop heeft gewezen dat. Verloren èn in Gelderland vooral door Dr. Brants, maar ook door de geheele Provinciale commissie in zake de dennenbeschadiging in en vele belang- rijke waarnemingen zijn geboekstaafd omtrent de leefwijze en de verbreiding van de gestreepte dennenrups, omtrent den aard en de intensiteit der beschadiging, omtrent middelen, die werden aangewend ter bestrijding van de plaag, alsmede omtrent de natuurlijke vijanden van het meergenoemde schadelijke insekt.

Inderdaad zal ieder het eens moeten zijn met wat Dr. Verloren zich uitmuntend van hunne taak gekweten heb- ben. Wat er in en op dat gebied 1 Dr. Zoo in 18H9 onder Otterloo en Ede, waar de vreterij van de gestreepte dennenrups toen ook, evenals nu, gepaard ging met eene ver- meerdering van nonrupsen boven het normale geta.

Volgens eene mededeeling van Dr. Oudemans waren de gestreepte dennenrupsen ook in de buurt van Zeist zeer talrijk in het jaar Volgens den Heer W. Voor België dus 5 Nederlandsche guldens, niet frs.

Phytopa- thologische Vereeniging, Leidsche Vaart 86, Haarlem. Afzonderlijke afleveringev worden niet verstrekt. Voor plaatsing wende men zich tot den Onder- Voorzitter der Nederl. Beknopt verslag van de excursie der Nederlandsche Phytopatho- logische Vereeniging naar Lisse en omgeving oj Zaterdag 21 Juni Daartoe aangezocht door Voorzitter en Secretaris der Vereeni- ging geef ik daarvan thans een kort verslag. Van Slogteren niet in de gelegenheid was een nauwkeurig overzicht te geven van den stand zijner proef- nemingen betreffende de verschijnselen van het aaltjesziek in narcissen, hyacinthen en andere bolgewassen en betreffende de bestrijdingswijzen van deze ziekte, daar moest ik mij bepalen tot verschillende opmerkingen van algemeenen aard, tot eene oppervlakkige bespreking van de tentoongestelde praeparaten, foto's en teekeningen en tot het geven van eene korte toelichting van hetgeen 's middags te velde zou worden waargenomen.

Natuurlijk werden bij deze bespreking de verrichtingen van Dr. Van Slogteren zooveel mogelijk aangehaald, hoewel de bespreking daarvan anders de hoofdschotel zou hebben gevormd. Ik nam zijn werk echter als uitgangspunt.

Mij komt deze bestu- deerings- en onderzoekingswijze de meest logische voor, omdat ze het snelst tot resultaat moet leiden. Daarom heb ik haar ook voorgesteld aan de Algemeene Vereeniging voor Bloembollen- cultuur bij gelegenheid van mijne lezing over het aaltjesziek in de narcissen, voor die vereeniging te Haarlem op 26 Juni gehouden, nadat ik me vooraf van de medewerking van den Heer Directeur-Generaal van den Landbouw voor een der- gelijk voorstel had verzekerd.

Elk wetenschappelijk onderzoek, hoe scherpzinnig en degelijk ook geleid, loopt voortdurend gevaar van het voor de praktijk meest belangrijke doel te worden afgeleid, wanneer door het voortdurende contact met de be- hoeften van de praktijk van het betreffende vak geen of zelfs onvoldoende rekening wordt gehouden en het wezen van de onderhavige cultuur niet of onvoldoende tot den onderzoeker doordringt.

De bestudeering van eene bepaalde ziekte buiten de cultuur om en zeer in het bijzonder die, welke ter hand wordt genomen op plaatsen, waar de betreffende cultuur niet op normale wijze kan worden gedreven, moet daarom als regel leiden tot onjuiste, althans minstens tot minderdoelmatige adviezen en zeer zeker is dat het geval, wanneer dat onderzoek verricht wordt zonder geregelde veldwaarnemingen en cultuurstudies.

Het meest vruchtbare en het snelst tot het doel leidende onderzoek kan daarom slechts verricht worden te midden van de zieke cultuur zelf. Voorop toch staat bij de bestudeering van het ziektebeeld, dat de te infecteeren plant zich op volkomen normale wijze kan ontwikkelen en wel zooveel mogelijk onder gewone cultuur- omstandigheden. In hoeverre dit bij de verschillende gewassen, waarvan ziekten in studie worden genomen, mogelijk is, wil ik in het midden laten.

Voor de bestudeering der bloembollen- ziekten evenwel komt het me op normale wijze drijven van de cultuur elders dan in de bloembollenstreek vrijwel onmogelijk voor. En waar bijna elke cultuur buiten het district tot abnor- male ontwikkeling moet leiden, moeten de kunstmatig op te wekken ziekte-symptonen bij dergelijke gecultiveerde planten den terugslag daarvan in nadeeligen zin ondervinden.

Elke zich abnormaal ontwikkelende plant is voor de bestudeering van de ziektesymptonen van welke ziekte ook, voor hare verspreidings- 63 en bestrijdingswijzen een ongewenscht object. Reeds daarom verdient een wetenschappelijk onderzoek te midden van het cultuurcentrum de meest warme aanbeveling. Nu stellen de bloembollen aan de groeivoor waarden zeer bij- zondere eischen. Daarom is die cultuur ook zoo gelocaliseerd.

En in zeer bijzondere mate geldt dit voor de hyacinthencultuur, dikwijls voor de narcissencultuur en in veel mindere mate voor de tulpencultuur. Wie daarom de ziekten der bolgewassen wil bestudeeren, infectieproeven enz.

Ik wil daarom wijzen op enkele factoren, welke den normalen groei van de bolgewassen en meer bepaaldelijk dien van de hyacinth beheerschen: Onderstaande analyses geven op den aard van den hyacin- thengrond voldoenden kijk.

Ze hebben betrekking op mij be- kende gronden, terwijl de monsters door mij zelf genomen zijn. Het lage gehalte van de voor de plantenvoeding meest nood- zakelijke elementen komt hierin duidelijk uit en even zoo dat van het humus gehalte.

Alleen het kalkgehalte is hoog van de voor de hyacinthencultuur meest geschikte gronden. Deze kalk komt hier in den bodem voor als koolzure kalk en is afkomstig van schelpen. Hoe fijner die schelpen verbrokkeld zijn en hoe regelmatiger die fijnste brokstukjes door den grond heen ver- deeld zijn, van hoe grooter waarde is deze grond voor de cultuur.

Zooveel mogelijk moeten de kalkdeeltjes niet of nauwelijks met het oog zichtbaar zijn. En deze voorwaarde geldt nog niet zoo zeer voor den bovengrond, doch vooral voor den ondergrond met het oog op de diepe grondbewerkingen, welke gedurig worden toegepast. Hierbij toch wordt de ondergrond naar boven gewerkt en de bovengrond naar beneden.

Voor de cultuur, doch niet minder voor het optreden, verspreiden en bestrijden van plantenziekten, is dit punt van zeer veel gewicht. Naast het gehalte aan voedende bestanddeelen is de grootte der bodembestanddeelen van bijzondere beteekenis. De korrelgrootte is derhalve, als gevolg van de vormingswij ze van den grond, 64 bijzonder gelijkmatig. Voor de waterbeweging in den grond is dit van groot belang. Tot op vrij groote diepte is Ie klasse hyacinthengrond vrij homogeen van samenstelling, waardoor het diep omwerken van den grond geen bezwaar oplevert wat den aard van den grond betreft.

Bij grond van mindere kwaliteit is dat óf minder goed óf niet mogelijk, zooals dat bij meerdere narcisgronden het geval is. Immers daar is de ondergrond veelal van geheel andere samenstelling en voor de teelt der betreffende bolgewassen dik- wijls absoluut ongeschikt.

De bloembollenstreek behoort tot het waterschap Rijnland. De meeste bloemboUengronden staan in open gemeenschap met het boezemwater van dit waterschap. Ongeveer 50 a 60 cm. Is een grondstuk te laag gelegen, dan wordt het opgehoogd, ligt het te hoog, dan wordt het af gezand. Regen of geen regen, de watervoorziening is daardoor, mede in verband met de samenstelling van den grond, steeds verzekerd door aan- voer vanuit het grondwater.

Natuurlijk kan in tijden van lang- durige droogte het bovenste grondlaagje uitdrogen, vooral van de hoogst gelegen, meest humusarme gronden. Toch lijden de bollen hoogst zelden aan watergebrek. Wel beïnvloedt veel of weinig regen de resultaten van het gewas, omdat daarmede zooveel andere zaken in verband staan: In 't algemeen is de geregelde watervoorziening echter ver- zekerd.

Deze geregelde watertoevoer is van groote beteekenis. Zelfs luistert dit zóó nauw, dat de meer of minder diepe planting de grootte en de kwaliteit van de bollen beïnvloedt. Bij diepere planting is b. Het vochtgehalte der bol schijnt daarbij grooter. Doch afgezien van deze meer kleine afwijkingen, welke met de watervoorziening in nauw verband staan, is de geregelde watertoevoer — ook in tijden van langdurige droogte — be- slissend voor het gelukken van de cultuur.

Hapert daar iets aan dan krijgt men eene abnormale ontwikkeling der bollen. Hoe groote verscheidenheid er ook moge bestaan in de terrein- verdeeling der verschillende bloembollenkweekerijen, voor het meerendeel worden de bloembollen toch geteeld op open terrei- nen, door meer of minder hooge hagen afgescheiden en ingedeeld voor 't meerendeel in hoeken van gemiddeld omstreeks — Rijnl.

Roeden grootte 1 H. Meestal is het terrein bovendien doorsneden door vrij breede vaarslooten. De haag-hoogte varieert van 2 a 4 meter in oude tuinen tot ± 1. Soms ontbreken de hagen ook geheel. In verband met het optreden van ziekten worden hyacinthen op meer besloten ,niet te besloten, terreinen gekweekt, narcissen om dezelfde reden meer op het open veld. Neemt men verder in aanmerking, dat tientallen, soms honderdtallen H.

Voor den kweeker, doch niet minder voor den phytopatholoog, zijn deze hagen van bijzondere be- teekenis. Soms zijn ze vrij open, soms zeer dicht altijd groene hagen.

Ze breken den wind, en ze localiseeren dikwijls ziekten, doch kunnen deze ook herbergen, ondanks de zorgvuldigste diepe grondbewerking van het terrein, door die hagen omgeven. De IC eersinvloed en. Het is niet te ontkennen, dat ieder gewest van eenige afmeting en vooral wanneer dit eene bijzondere ligging heeft, in klimaat afwijkt van het andere.

Zoo is de ligging van de bloembollen- streek evenwijdig aan en vlak bij de Noordzeekust van bijzondere beteekenis voor de hier gedreven cultuur.

De boomengroei wordt door heftige Westelijke zeewinden vaak allernadeeligst beïnvloed. Hoe nadeelig zijn ze ook niet voor den groei der bol- gewassen, vooral in het voorjaar, kort na het losdekken. Ongelukkig hij, die dan zijne hoeken niet stuif vrij heeft liggen! Soms, zoowel in het najaar als in het voorjaar, komt het zelfs voor, dat b. Hagen kunnen dan zeer nuttig zijn. Hoe kan ook de regenval van het eene gewest bij het andere verschillen en welk een groot onderscheid kan er niet bestaan 66 in den absoluten en den relatieven vochtigheidstoestand van de lucht, welke van zoo overgroote beteekenis is voor de ontwikke- ling van plantenziekten!

Hoe komt soms plotseling een dichte mist opzetten, welke zich met groote snelheid, a. Een treffend schouwspel, doch hoe noodlottig vaak voor de cultuur in verband met het zich plotseling op groote schaal ontwikkelen van sommige ziekten. De bloemboUenkweeker weet daarover mee te praten. Men vergete hierbij niet, dat het hier seedampen betreft.

Zoo staat de teelt van bloembollen en daarmede de ziekten dier bolgewassen steeds rechtstreeks onder den invloed van de zee, welke nu eenmaal niet naar elders is mee te nemen, zooals dat met den grond wel min of meer gaat.

De bemestingswijze, de grondbewerking en vooral de vrucht- opvolging staan mede in rechtstreeks verband met het optreden, verspreiden en bestrijden van plantenziekten. En welk een be- langrijke factor is niet de voortkweekingswijze onzer bolgewassen. Narcissen worden alleen vermenigvuldigd door de op natuurlijke wijze gevormde klisters, waarvan het aantal per bol klein is. Hyacinthen daarentegen, kan men ook voortkweeken door hollen en snijden!

Hoe talloos vele bolletjes verkrijgt men op deze manier niet van ééne bol? Het zou me niet moeilijk vallen meerdere punten hieraan toe te voegen doch ik wil het hierbij laten. Slechts wil ik nog wijzen op het bijzonder groote voordeel, dat de onderzoeker, die zijn onderzoek te midden van de cultuur verricht, heeft, n. Dit punt is van onschatbare waarde voor hem, omdat hij door geregelde besprekingen met de kweekers zich op de hoogte kan stellen van hunne jarenlange ervaringen en van hunne ideeën omtrent de ziekten.

Herhaalde aanraking en bespreking is noodig, zelfs van dezelfde onderwerpen, omdat het inzicht der besproken feiten zich wijzigt naarmate men meer met hunne denk- en uitdrukkingswijzen vertrouwd begint te geraken. Men schijnt elkaar soms begrepen te hebben, terwijl later vaak het tegendeel blijkt. Hoe veelvuldig zijn daarbij niet de ervaringen van de kweekers, van wie er velen zoo bewonderenswaardig scherp waarnemen, al raken hunne verklaringen vaak kant I 67 noch wal.

En hoe groote verscheidenheid bestaat er niet tusschen de besproken gevallen in verband met de grondsoorten, de variëteiten, de cultuiirmethoden enz. Van welke overwegende beteekenis is het daarbij voor den onderzoeker niet, dat hij zijne proefnemingen en proefvelden kan inrichten in voortdurend overleg met die vaklui.

Vakkundig toezicht staat hem steeds ten dienste. Daarbij kan hij, zoo dik- wijls hij dit noodig en wenschelijk acht, over optredende ver- schijnselen, verwachte en niet verwachte resultaten de kundigste vaklui consulteeren. Hoe geheel anders en hoe veel moeilijker, wanneer de onderzoeker geheel op zich zelf is aangewezen en zijne proef planten moet kweeken onder geheel abnormale om- standigheden, waaronder zelfs normale ontwikkeling der bollen niet mogelijk is!

Het spreekt van zelf, dat er ook niet geringe bezwaren aan het systeem: De geïso- leerde ligging, het derven van een modern ingericht laboratorium met al de vaak noodlottige gevolgen van dien, enz. Daarom verdient de inrichting van een goed laboratorium te midden van elke cultuur van voldoend economische beteekenis de sterkste aan- beveling.

Meerdere vakproblemen wachten immers nog op eene wetenschappelijke oplossing! Feitelijk moet de studie van de ziekten van de planten, in dit geval van de bolgewassen, daarbij rusten op eene nauw- keurige botanische kennis der planten van onderzoek, zoowel met betrekking tot de kennis harer systematiek en morphologie als met die omtrent hare anatomie, physiologie enz.

Helaas ontbreken deze gegevens van de bolgewassen vrijwel volkomen. Welk een uitgebreid arbeidsveld ligt hier nog open! Gelukkig, dat met de oplossing van enkele zeer belangrijke en interessante problemen thans een aanvang is gemaakt. Na een tijdje hebben de ontwikkelaars van luchtdruk vibrator Womanizer een nieuw model op de markt gebracht. Een luchtdruk vibrator die Womanizer Pro40 heet. Deze luchtdruk vibrator richt zich op een veel breder publiek dan zijn voorganger.

Satisfyer is net als de Womanizer een luchtdruk vibrator en heeft nagenoeg dezelfde werking. Waarmee Satisfyer zich voornamelijk onderscheidt is het prijskaartje. Het verschil zit voornamelijk in de afwerking en het materiaal. De Satisfyer voelt net even wat goedkoper aan dan een Womanizer luchtdruk vibrator en dat zie je ook terug in de prijs. Hoewel de Satisfyer Pro2 een relatief goedkope luchtdruk vibrator is, hebben de ontwikkelaars van Satisfyer niet stil gezeten.

Eind kwamen een viertal nieuwe modellen van op markt. Veel mensen hadden duurdere modellen verwacht, maar niets is minder waar. Winkelwagen   Je winkelwagen bevat geen artikelen. Mijn account Merken Verlanglijst Inloggen. Toon 21 42 63 per pagina. Luchtdruk Vibrator Kopen Maak kennis met de nieuwste manier van stimulatie met een luchtdruk vibrator.

Erg geschikt voor moeilijke klaarkomers Veel vrouwen hebben moeite met klaarkomen. Womanizer Na de komst van de eerste luchtdruk vibrator van Womanizer werd de wereld van sexspeeltjes blij verrast. Satisfyer Satisfyer is net als de Womanizer een luchtdruk vibrator en heeft nagenoeg dezelfde werking. Kenmerken van een luchtdruk vibrator Revolutionair Stimulatie met luchtdrukgolfjes Ook geschikt voor vrouwen die moeite hebben met klaarkomen Veel waterdichte luchtdruk vibrator modellen Relatief stil in gebruik Stimulatie zonder penetratie.

..

Sex contact arnhem erotische massage heerlen


sex in coevorden pjes anaal

Kopervitriool en sublimaat mogen niet opgelost worden in ijzeren of blikken vaatwerk; hiervoor gebruike men houten of steenen. Wanneer het graan zeer sterk besmet is met steenbrandsporen, doet men goed het vooraf in water onder te dompelen, om de geheele brandkorrels te verwijderen. Voordat het dan met een ontsmettingsmiddel wordt behandeld, moet het goed gedroogd zijn. Na de ontsmetting van het graan moet er voor gezorgd worden, dat niet opnieuw besmetting kan plaats vinden. Dit kan gebeuren, wanneer het behandelde graan op plaatsen wordt uitgespreid, waar besmet graan gelegen heeft, 27 dus op dorsch vloeren, zolders enz.

Het ontsmette graan mag in geen geval in dezelfde zakken gestort worden, waarin het zich voor de ontsmetting bevond, tenzij deze zakken ook ontsmet zijn. Ook de zaaimachine kan een bron van herinfectie zijn. Men ontsmette ieder jaar opnieuw al het zaaigraan! De abnormaal sterke vermeerdering van de gestreepte den- nenrups, die in in verscheiden dennenbosschen in ons land werd waargenomen, en waardoor groote schade werd aangericht, gaf mij aanleiding tot het schrijven van het onderstaande artikel, waarin ik de door mij gedane waarnemingen en ook die van anderen, welke mij bekend werden, heb neergeschreven, en een overzicht heb gegeven van wat in vroegere jaren in ons land en daarbuiten omtrent de dennenrupsenplaag bekend werd; terwijl ik verder het licht heb laten vallen op de oorzaken, welke de vermeerdering van het schadelijke insekt kunnen tegenhouden en in de hand werken, — op de gevolgen, welke de dennen onder- vinden van de vreterij, — en ten slotte op de middelen ter be- strijding en voorkoming van eene gestreepte dennenrupsenj laag.

De gestreepte dennenrups ontstaat uit de eieren van den dennenuil. Allereerst beschrijf ik dit insekt in zijne verschil- lende levenstoestanden van ei, van rups, van pop en van vlinder. Het ei is lichtgroen, cirk eirond, met eene platte onderzijde en eene gewelfde bovenzijde, die op haren top een uitstekend wratje draagt, hetwelk in 't midden weer ingedeukt is.

De vorm is ongeveer die van een Malva-vrucht. Meestal zitten de eieren in rijtjes van 6 — 8 stuks of meer aan eene naald. De rups heeft, behalve drie paar borstpooten, vijf paar achterlij f spooten; maar in den jeugdtoestand zijn de eerste twee paren achterlij f spooten kort, waardoor de gang dan wordt onge- veer als die van eene spanrups.

De volwassen rups PI. De kop is groot, glimmend geel met eene roode, netachtige teekening, zoo- dat dit lichaamsdeel bij oppervlakkige beschouwing rood lijkt. Men treft nog dezelfde overlangsche strepen aan als bij de jonge rups. De gele overlangsche streep, die zich bij de jonge rups aan elke zijde bevindt, wordt vaak tot eene witte overlangsche streep met een oranjerooden buitenrand. Vóór iedere vervelling worden de gestreepte dennenrupsen donkerder, op sommige plekken van het lichaam bijkans zwart; met name is dat met den kop het geval.

Kort na de vervelling zijn zij veel lichter groen gekleurd. Wanneer men eene rups aanraakt, scheidt zij een geel- of groenachtig vocht af. Van de volwassen rupsen gaan er tot in een Liter. De pop is glimmend bruin, 18 m. Zij ligt in den grond of in het strooisel, niet door een cocon bedekt. Aan het achtereinde twee dorentjes. Op de rugzijde van het 4e lid bevindt zich een overdwars liggend groef - je, door een donker gekleurd walletje omgeven.

Grootste afmetingen van het wijfje PI. De lang- werpige voorvleugels hebben eene geel-roodachtig grijze grond- kleur. Twee lichte zigzaglijnen loopen op eenigen afstand van elkaar langs den buitenrand.

Verder eenige witachtige vlekjes, die aan de voorvleugels een bont, gevlekt voorkomen geven. Ove- rigens is de teekening zoowel als de kleur 'dezer vleugels bij ver- schillende individu's nogal verschillend. Er zijn ook exemplaren, die vrijwel grijs zijn en weinig rood meer bevatten. De met wollige haren bekleede kop en het borststuk hebben de grondkleur der voorvleugels, terwijl het achterlijf en de achtervleugels bruin- achtig grijs zijn. De achtervleugels hebben wit franje. De sprieten 30 van het wijfje zijn draadvormig ; die van het mannetje vertoonen twee rijen korte zaagtand] es, welke weer korte borstels dragen.

Het einde van het achterlijf is bij het mannetje vanlange haren voorzien, bij het wijfje niet. Bij het verlaten van de pop kruipen de uilen tegen de dennen- stammen op en blijven daar eenige uren, alvorens zij kunnen wegvliegen. Men ziet ze vliegen vroeg in het voorjaar, soms reeds in de tweede helft van Maart en verder in April, enkele jaren tot in Mei. Verloren i deelt mee, dat in de uilen, wegens den buitengewoon zachten winter, reeds in Februari begonnen uit te komen, en dat zij vóór April reeds alle uit de pop waren gekropen.

Eene zoo vroegtijdige ontwikkeling echter schijnt slechts hoogst zelden voor te komen, want geen andere schrijver maakt daar verder melding van. Niet slechts bij nacht vliegen de uilen, maar ook over dag ziet men ze tusschen de dennen rondvliegen ; soms, als er wilgen in de nabijheid der grove dennen zijn, ziet men ze op de bloeiende wilgenkatjes om honig te zuigen. Doorgaans echter worden de uilen tegen den avond meer beweeglijk dan over dag; de paring grijpt altijd bij avond of bij nacht plaats, bij voorkeur bij warm weer.

Van koud weer, zooals wij dat in Maart en April vaak kunnen hebben, lijden de uilen veel; soms sterven ze dan zonder hun geslacht te hebben voortgeplant. Zeker is het ten deele daaraan toe te schrijven, dat eene sterke vermeerdering van de gestreepte dennenrups slechts bij uitzondering voorkomt. Schopt men in Maart of April met kracht tegen dennenstammen, dan ziet men op koude dagen de uilen uit de boomen vallen, terwijl men dit op warme dagen niet ziet gebeuren, daar de uilen dan óf rondvliegen, óf in de kronen der boomen zittende, zich stevig vasthouden.

Nu is het bekend, dat in 't al- 1 Zie Mr. Hij schrijft, dat deze zijne waarnemingen omtrent de wijze van leggen van de eieren heeft gedaan bij uilen, die in gevangenschap verkeerden, n.

Hij meent, en zonder twijfel terecht, dat men uit het gedrag van het dier in gevangenschap niet mag afleiden, dat het in het bosch zich ook zoo zou gedragen.

Altum maakt verder melding van het volgende feit: Dit zou, volgens Altum, on- mogelijk zijn, wanneer de dennenuil zijne eieren altijd in reeksen van 6 — 8 stuks of zelfs meer aan ééne naald legde Ratzeburg teekent er zelfs 17 op eene enkele naald! Ook door mij werd herhaaldelijk het feit geconstateerd, dat men in gewone jaren uit de meeste denneboomen in 't geheel geene gestreepte dennenrupsen kan uitkloppen, uit sommige andere slechts één of twee, althans nooit bijv.

Maar 't is bekend, dat de gestreepte dennenrups uiterst gevoelig is voor minder gunstig weer, vooral in hare jeugd en ook later 1 Altum. Er zijn echter eenige soorten, die ze aan houtige planten déponeeren, zooals de krake- ling Diloba coeruleocephala , die zijne eieren altijd afzonderlijk aan stam, takken en twijgen van allerlei loofhout en ooftboomen legt, — de abrikozenuil [Acronycta tridens V.

Toch vond ik in jaren van sterke vermeerdering de eieren van den gammauil soms in groote massa's bij elkaar aan kruidach- tige planten. Overigens heeft Ratzeburg blijkbaar niet alleen in zijne kweekkastjes de eieren op rijen aan de naalden zien zitten. Blijkbaar heeft Ratzeburg dus ook wel de eieren aan de naalden van gevelde dennen waargenomen, vastgehecht op de door hem aangeduide wijze.

Toch schijnt de dennenuil inderdaad niet altijd zijne eieren in rijen aan de naalden vast te hechten. Immers Bechstein 2 schrijft, dat het wijfje gewoonlijk hare eieren ieder afzonderlijk aan den top der naalden vastkleeft, en alleen wanneer de uil zeer veel voorkomt, 2 tot 4 eieren aan ééne naald legt, terwijl ook Pfeil 3 vermeldt, dat het wijfje de eieren aan den top der naalden deponeert.

Het komt mij voor, dat het eierleggen niet altijd op de zelfde wijze geschiedt; dat soms de eieren afzonderlijk aan de naalden worden vastgehecht, aan iedere naald één; maar dat andere keeren, met name als er zeer veel uilen zijn, de eieren op rijen langs eene naald worden vastgekleefd.

En daar men in 't alge- meen op het eierleggen van den dennenuil niet veel zal letten in jaren, waarin er niet veel uilen vliegen, en bovendien alleen bij een gevelden boom de wijze van bevestiging der eieren waar- neembaar is, zoo zal het vastkleven van de eieren afzonderlijk wel niet zoo heel vaak worden waargenomen.

Escherich i geeft als het aantal eieren, dat eene vrouwelijke dennenuil kan leggen, op: Laatstgenoemde geleerde schrijft mij, dat een zijner adsistenten in het achterlijf van een rijp wijfje eenmaal zelfs tot eieren heeft gevonden.

Korten tijd vóór het uitkomen der rupsen worden de eieren roodachtig van kleur. Dit jaar kwamen zij, volgens door mij ontvangen be- richten, onder Doorn ook vretende voor aan berken. Heidemaatschappij, die mij vele belangrijke gegevens omtrent het voorkomen van de dennenrupsenplaag in verschillende deelen van ons land ver- schafte, meldt mij, dat de rupsen op onderscheiden plaatsen ook aan de naalden van de Douglas-spar, aan die van Chamycae- paris Menziezii en aan de bladeren van berk en Amerikaanschen eik vretende werden aangetroffen.

Bij laatstgenoemde boomen werd, volgens den Heer Van Lonkhuyzen, de bladsteel door- gevreten, maar de bladschijf niet aangetast. Heide- maatschappij, schrijft, dat het voedsel van de gestreepte dennen- rups wel bijna steeds uit dennennaalden bestaat, maar dat bij gebrek hieraan ook naalden van Douglassparren en Sitkasparren worden beknaagd. Het blijft intusschen nog de vraag, of de dennenuil ook zijne eieren aan de naalden of bladeren van andere boomen dan den groven den legt. Immers de gestreepte dennenrups is een insekt, dat zeer kies- keurig is: In ISjarige en jongere bosschen wordt ook wel eens nu en dan eenige beschadi- ging waargenomen, maar veel heeft die gewoonlijk niet te be- teekenen, en meestal vertoont zij zich daar slechts sporadisch en aan enkele boomen, die ook nooit geheel worden kaalge- vreten.

Blijkbaar heeft men te doen met eene vreterij door insek- ten, die als zeer jonge rupsen uit andere bestanden in de buurt zijn komen overwaaien of daar heen heengetrokken zijn.

Is een groote denneboom geheel kaalgevreten, dan laten de rupsen zich op den grond vallen en begeven zich naar een ande- ren denneboom, waar zij weer tegen den stam opkruipen, om te zien of daar wat te halen is.

Is dit niet het geval, dan probeeren zij het bij nog een anderen denneboom. Door dat heen en weer- trekken, stam af en stam op, zonder dat het haar gelukt, passend voedsel te vinden, geraken de rupsen uitgeput en worden zij zeer traag i. Wanneer een bosch zoo goed als geheel is kaalgevreten, trekken de dennenrupsen soms in groote scharen uit het bosch weg, soms over wegen heen, om zich in een ander bosch te vestigen.

Ontmoe- ten zij dan op hunnen weg andere Coniferen, dan gaan zij ook daaraan vreten; zelfs tasten zij bij uitzondering loofhout aan. Terwijl in eene conferentie, welke op 25 September j. Van Dissel, Inspecteur van het Staatsboschbeheer, de volgende Heeren bijeen om te spreken over de heerschende dennenrupsenplaag en om na te gaan wat zou kunnen worden gedaan om eene herhaling der plaag te 'voorkomen: Jager Gerlings, adjunct-inspecteur van het Staatsboschbeheer; J.

Mulder, houtvester van H. Tutein Xolthenius, opperhoutvester van H. Mulder steeds eene verbreiding van het Westen naar het Oosten te hebben waargenomen, terwijl ook de Heer E.

Zelf heb ik hieromtrent geene ervaring, en ook de in 't buitenland verschenen werken geven daaromtrent geen licht. Het komt mij het meest waarschijnlijk voor, dat de verbreiding der plaag niet al- tijd in dezelfde richting plaatsvindt, maar dat de rupsen grooten- deels trekken in die richting, waar zich nog dennen bevinden, die nog niet zijn kaalgevreten ; ofschoon uit de mededeelingen van den Heer Vogel te Apeldoorn wel degelijk blijkt, dat de rupsen zich daarin nog wel eens vergissen.

Ook de wind kan bij de uit- breiding der plaag zeker eene rol spelen, meer bepaaldelijk in den tijd, dat de rupsen nog klein zijn en draden spinnen. Dan kunnen zij in grooten getale van den eenen boom naar den ande- ren overwaaien, al geschiedt dit met de jonge gestreepte dennen- rupsen niet in die mate als met de jonge rupsen van den non- vlinder, die in hare eigenaardig gebouwde haren een apart apparaat voor de verspreiding door de lucht bezitten. De vreterij der gestreepte dennenrups wordt eerst tegen het einde van Mei of in 't begin van Juni, op een tijd, dat de rupsen haar spinvermogen hebben verloren, duidelijk zichtbaar.

Meestal tegen het laatst van Juli zijn de rupsen volwassen; echter kan dit in sommige jaren reeds het geval wezen in 't laatst van Juni, andere jaren eerst in Augustus. In jaren van sterke vermeerdering bereikt soms een betrekkelijk groot aantal rupsen den toestand, waarin zij gaan verpoppen, eerst in Augustus of nog later; enkele levende rupsen werden in nog in Novem- ber gezien.

Op 29 Juli waren in sommige bosschen op de Veluwe, welke ik bezocht, de rupsen reeds alle uit de boomen verdwenen ; in andere bosschen echter vielen er, als men de stammen in schudding bracht, nog vrij talrijke rupsen uit de boomen, en daaronder sommige, die nog niet veel meer dan half volgroeid waren. Waarschijnlijk waren dat dennenrupsen, bij welke de geregelde voeding gedurende langeren of korteren tijd onder- broken was geweest, doordat zij zich uit een geheel kaalgevreten boom hadden laten vallen om na eenig rondtrekken in een ande- ren terecht te komen, waar nog voedsel was te vinden.

De on- gelijkmatige groei der verschillende individu's is in jaren van de Koningin, te Apeldoorn ; Dr. Oudemans, president der Nederl. Entomologische Vereeniging en van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, te Putten, en ondergeteekende.

De volwassen rupsen begeven zich naar den grond: Vaak hoopen zij zich een korten tijd lang aan den voet der stammen op; later bewegen zij zich gewoonlijk nog een poosje over den grond voort, alvorens zich te verschuilen op de plaats, waar zij in pop gaan veranderen; zoodat men niet juist altijd onder een boom, waarin zeer veel rupsen zaten, later ook zeer veel poppen vindt. De rupsen zoeken blijkbaar naar eene gelegenheid, die haar voor de verpopping en overwinte- ring het meest geschikt lijkt, Waar de grond dicht met mos of strooisel bedekt is, blijven zij meestal in deze bodembedekking.

Gaarne kruipen zij in een hoop molm weg, dat ontstaan is uit een vergaan stuk hout; op zulke plaatsen vindt men soms later groote massa's poppen in een hoop bijeen.

Waar de bodem vrij kaal is, daar kruipen zij gewoonlijk eenige centimeters diep in het zand weg. Kortom zij richten zich er geheel op in om zoo goed mogelijk tegen de winterkoude beschut te zijn. Dat hebben zij dan ook wel noodig, omdat de pop van de gestreepte dennen- rups niet door een cocon bedekt is.

Dikwijls vindt men reeds in Juni eenige poppen op de bovenaangegeven plaatsen; in Juli wordt haar aantal daar veel grooter ; in Augustus vindt men, be- houdens enkele uitzonderingen, allen verpopt.

De poppen blijven gewoonlijk tot in Maart of in April op hare schuilplaatsen liggen; dan komen de uilen te voorschijn. In 't algemeen vreten de jonge gestreepte dennenrupsen aan- vankelijk de jonge naalden op, die zich pas aan de zich ontwikke- lende scheuten hebben gevormd. Hoitsema; , bl. Het overgebleven gedeelte van de naald wordt nu door de rupsjes af gevreten, en wel zoo, dat zij zich geheel in de scheede, die de beide naalden omvat, invreten, en door het wegvreten van alle jonge naalden de knopontwikkeling voor het volgende jaar onmogelijk maken.

Een zoodanig bosch, zegt de Heer Brants, heeft het aanzien als ware het door een boschbrand verschroeid. De schildering, die Dr. Wttewaall van de wijze van vreten van de gestreepte dennenrups geeft, is zeker in 't algemeen juist. Toch grijpt de vreterij niet altijd geheel op de door hem aangewezen wijze plaats. Regel is het zonder twijfel, dat de jonge gestreepte dennen- rupsen beginnen met de jonge naalden van de meischeuten aan te tasten; maar dit schijnt toch geen regel zonder uitzonderingen te zijn.

Althans de Heer Insinger op Oostereng aan den Grind- weg tusschen Bennekom en Heelsum, verzekerde, dat in zijne dennenbosschen juist de oude naalden werden aangetast, ook door de nog jonge rupsen. Hoewel ik geen gelegenheid had mij persoonlijk van de juistheid van deze waarneming te overtuigen en ik ook in de literatuur daarvan geene voorbeelden vond ver- meld, twijfel ik daaraan in 't geheel niet.

Misschien zijn in de bosschen van den Heer Insinger de meischeuten door de eene of andere oorzaak laat uitgeloopen en waren de jonge rupsen dus verplicht, althans in den aanvang, zich met oude naalden tevreden te stellen, en zijn zij, eenmaal aan dien kost gewend, daarbij gebleven. Dat de jonge gestreepte dennenrupsen vaak beginnen met een groot stuk van de jonge naalden af te bijten zie PI. In had ik tot mijn spijt in 't begin van de plaag geen gelegenheid, aangetaste dennenbosschen te bezoeken.

Toch schijnt dat afbijten van de grootste stukken der jonge naalden door de jonge rupsen althans niet geregeld voor te komen Immers andere schrijvers dan Wttewaall maken van deze eigenaardigheid geen afzonderlijke melding. Volgens laatstgenoemden schrijver vreten de jonge rupsen, nadat zij de grootste helft van de jonge naalden hebben afge- beten, niet alleen de basale gedeelten van deze naalden op, maar Wttewaall zegt, dat zij zich ook geheel invreten in de scheede, die de beide naalden omvat; m.

Die op het ein- de van de als regel kort blijvende takjes tusschen de beide naal- den gezeten knoppen zijn in gewone omstandigheden voor den boom van geen beteekenis, omdat zij zich dan niet verder ont- wikkelen.

Maar in abnormale omstandigheden, bijv. Deze knoppen groeien tot scheuten uit. En nu heb ik verschillende bosschen op de hooge Veluwe, onder Ede, bij Doorn en Maarsbergen, die ik in den voorzomer geheel kaalgevreten zag, zoodat zij geheel dor 1 Judeich und Nitsche; t. Ook de Heer E. Dingeb te Lunteren schrijft mij medio October: Van naderbij gezien blijken de afgevreten scheuten verscheiden slapende knoppen te hebben ontplooid en nieuwe naalden te heb-ben verwekt.

Opmerkelijk is het echter, dat daarbij van geen regelmaat spake is. De naalden zijn zeer willekeurig over de scheuten verspreid ; waar de keurige afgepastheid van de plaat- sing der naalden in normale omstandigheden treft, stuit men nu op een onregelmatigen wasdom ; ik kan het niet anders uitdruk- ken dan: Maar als geen voortgezette of nieuwe beschadiging zich voordoet, geloof ik dat wij onze bosschen zullen behouden.

Overigens is het wel zeker, dat de gestreepte dennenrupsen dikwijls wèl de scheedeknoppen vernielen of althans de latere uit- groeiing daarvan onmogelijk maken, al geschiedt dit niet altijd op de wijze als Wttewaall aangeeft.

Dat dan die nog zoo kleine naalden geheel tot aan de basis toe worden opgegeten en dat dan tevens allicht de aan die basis geplaatste kleine knop wordt vernield of beschadigd, ligt voor de hand. Ratzeburg - schrijft, dat de jonge rupsen zich in de mei- scheuten inboren, waardoor deze reeds spoedig gaan sterven, tengevolge waarvan de in de twijgen beschikbare voedende stof- fen, die anders voor de verdere ontwikkeling der scheut zouden hebben gediend, nu bewerken dat de zich tusschen de naalden van de vóórjarige twijgen bevindende knoppen gaan zwellen en 1 JuDEicH und Nttsche, t.

Die Waldverderber und ihre Feinde" 6e druk, bl. Later beknaagt zij de naalden, van de randen af ; ten slotte vreet zij deze geheel af, met de scheeden ; vaker aan de benedenste takken dan hooger in den boom. Leipzig, deel I, bl. Maar aan deze worden de eieren niet gelegd. Verder komt het mij onwaarschijnlijk voor, dat de. De rups klimt vol- gens hem tegen de naald op tot dicht aan den top toe, en begint dan aan den eenen kant daarvan te vreten ; meestal vreet zij dan op eene plaats de naald zoover door, dat de top der naald naar beneden valt; doorgaans het kleinste gedeelte daarvan.

Dan gaat de rups door met vreten, en strekt hare vreterij uit tot bin- nen in de scheede waarbij dan dikwijls ook wel de tusschen de scheede zittende knop zal worden uitgevreten. Eckstein zegt verder ongeveer het volgende: De aldus aangetaste scheuten hangen naar beneden en kunnen, als zij blijven doorgroeien, zich aan haar uiteinde Aveer oprichten.

Schalen, Schlagen und Verbeiszen an lebenden Waldbaumen entsteht" Berlin, , deell, bl. Volgens Ratzeburg wordt het doodgaan van den kroontop in hoofdzaak veroorzaakt door het ontstaan van een overgroot aantal. Overigens wil ik mij hier niet verder verdiepen in de uitvoerige mededeelingen en ver- klaringen, die Ratzeburg omtrent de ,,8piesse" der dennen- boomen en hun ontstaan geeft; wat hij daaromtrent meedeelt, is soms alles behalve duidelijk en overtuigend.

Ook heeft nie- mand later het doodgaan van heele kroontoppen als gevolg van de vreterij van de gestreepte dennenrups kunnen constateeren ; en sommige van Ratzeburg's afbeeldingen zie bijv. Plaat l t van zijn. Uit het bovenstaande blijkt, dat de waarnemingen en op- vattingen van de verschillende schrijvers over de dennenrupsen- vreterij elkander op niet weinige punten tegenspreken.

Deels kan dit het gevolg zijn van het trekken van onjuiste conclusies zoo- als door Ratzeburg werd gedaan in zake het vermeende ont- staan van doode toppen in de kronen tengevolge van de vreterij der gestreepte dennenrupsen , deels kan het zijn, dat door ver- schillende onderzoekers ten onrechte werd aangenomen, dat de rupsen in de vrije natuur zich op de zelfde wijze zouden ge- dragen als zij dat deden in den gevangen toestand, waarin de waarnemingen werden gedaan.

Maar toch schijnt het dat de bedoelde insekten zich niet onder alle omstandigheden precies gelijk gedragen. Evenals de wijze van eierleggen in rijen bijeen aan de naalden of ieder ei afzonderlijk verschillend schijnt te zijn alnaarraate de rupsen in normaal of in abnormaal groot aantal in de dennenbosschen voorkomen zie bl. Het laat zich hooren, dat in bosschen, waar de rupsen in overmatig groot aantal aanwezig zijn, zoodat de boomen voor al die rupsen geen voedsel genoeg opleveren, eenvoudig alles wordt opgevreten: Op een boom, waar het aantal rupsen veel minder groot is, schijnen deze zich te bepalen tot het af vreten van de naalden.

De gestreepte dennenrups heeft onder gewone omstandigheden. Vrij zeker heeft ook de temperatuur invloed. Vrij algemeen bestaat de meening, dat een dennenbosch, 't welk kaalgevreten is, per se moet afsterven, zoodat raadzaam zou zijn, een zoodanig bosch hoe eerder hoe beter te vellen.

Dit is eene meening, waartegen met kracht dient te worden opgekomen. Eerst als men zeker weet, dat het bosch zich niet zal herstellen, moet men het gaan kappen ; en dat moet dan ook niet worden uitgesteld: De Inspecteur van het Staatsbosch- beheer heeft zeer terecht reeds in den afgeloopen zomer in ver- schillende dagbladen tegen overijlde velling van sterk beschadig- 1 Reeds bij gelegenheid van de nonvlinderrupsplaag, die in vooral in de dennenbosschen bij Tilburg en Alphen N.

Het is bekend, dat naaldboomen in 't algemeen veel meer lijden, wanneer zij worden kaalgevreten, dan loofboomen. Bij een loof boom, die in 't voorjaar geheel kaal- gevreten is, loopen zeer spoedig weer knoppen tot bebladerde twijgen uit, zoodat bijv. Bij een naaldboom blijven de naalden meerdere jaren zitten; bijv. Wordt dus een grove den totaal kaalgevreten, dan zal deze — wanneer hij in leven blijft en slechts op normale wijze naalden vormt — eerst drie jaar na den kaalvraat weer het normale aantal naalden bezitten.

De assimilatie en daarmee de groei van den kaalgevreten denneboom zou derhalve pas drie jaar na den kaalvraat weer normaal kunnen zijn.

Een loof boom, die in 't zelfde jaar, waarin hij werd kaalgevreten. Lijden dus in 't algemeen de naaldboomen van kaalvraat, veel meer dan de loofboomen, — niet alle naaldboomen ver- houden zich in dezen gelijk. JEen bosch van grove dennen, dat geheel of bijkans geheel is kaal- gevreten, kan onder gunstige omstandigheden gespaard blijven; althans wanneer de insektenplaag het volgende jaar uitblijft. De voornaamste reden van dit verschil tusschen fijnspar en groven den is deze: Wan- 45 neer echter de eindknop eener scheut en de krans van knoppen, die vlak daaronder staat, vernietigd of benadeeld wordt, zoodat in 't volgende jaar van eene normale verlenging en vertakking van de scheut geen sprake kan zijn, dan kunnen de onder nor- male omstandigheden slapend blijvende, tusschen de twee naal- den geplaatste knoppen gaan uitgroeien tot van naalden voor- ziene twijgen.

Zoodanige scheuten zitten elkaar vaak in den weg en benemen elkander lucht en licht; velen ervan komen dan ook slechts tot geringe ontwikkeling; vaak ontwikkelen zich de naalden aan zulke scheedescheuten niet normaal zie bl. In elk geval zorgen zij ervoor, dat er spoedig weer van naalden voorziene scheuten zijn, die maken dat de assimilatie niet geheel stilstaat.

Een kaalgevreten sparreboom krijgt derhalve in het jaar van den kaalvraat geen nieuwe naal- den ; bij een groven den kan dat wel gebeuren. Of dit geschiedt of niet, hangt veel af van de wateropname van den boom. Soms zwellen de slapende knoppen spoedig na den kaalvraat op en ontwikkelen zij zich nog in het zelfde jaar tot nieuwe scheuten; in andere jaren geschiedt dit eerst in 't jaar, volgende op de kaalvreterij.

Het spreekt van zelf, dat wanneer bij een groven den de jonge scheuten geheel of bijkans geheel worden kaalgevreten, de eind- knop en de daaronder geplaatste krans van knoppen daarvan de gevolgen ondervinden. Deze ontwikkelen zich dan minder goed dan in normale omstandigheden, en kunnen zelfs doodgaan. Dat zijn scheedescheu- ten, die zoo goed als niet in de lengte groeien, zoodat de naalden zeer dicht opeen in een rozet geplaatst zijn, op de wijze als de bladeren van eene huislookplant op den kort gebleven stengel.

Soms hebben die opeengehoopte naalden den gewonen vorm, maar soms zijn zij breeder dan gewoonlijk en aan hunne kanten van kleine tandjes voorzien PI. Al zullen de op elkaar gedrongen en elkander dik- wijls in den groei belemmerende naalden der rozetten zeker de assimilatie minder bevorderen dan die der gewone scheedescheu- ten, — het komt mij voor, dat het voor den boom toch beter is, dat zij zich vormen dan dat elke vorming van nieuwe van naalden voorziene scheuten achterwege bleef.

De naalden der rozetten assimileeren dan toch in elk geval nog wat; en wanneer bij totalen kaalvraat elke vorming van nieuwe scheuten in het jaar der vreterij achterwege bleef, zou in dat jaar van assimilatie in 't geheel geen sprake kunnen zijn. Dat zij den boom zouden uitputten, zooals Nusslin beweert, is mij niet duidelijk. Ik ben van meening, dat de rozetten wel degelijk meehelpen, om den kaalgevreten boom in leven te houden.

Toch wil ik gaarne aannemen, dat zij een slecht voorteeken zijn. Het ontstaan van rozetten in plaats van gewone scheede- scheuten is derhalve een bewijs, dat de sapstrooming in den boom zwak is, m.

Wat de tweede rubriek van boomen betreft, kan met eenigen grond worden vermoed, dat niet veel kans hebben zich te herstellen die kaalgevreten dennen, van welke de knoppen aan den top der in 't voorjaar gevormde scheuten voor een groot gedeelte dood zijn en waar de groene tint der kronen het gevolg is van het ontstaan van talrijke rozetten. Ook als de in 't voorjaar gevormde scheuten en zelfs de vóórjarige twijgjes in den winter slap en week zijn, is dat een slecht voorteeken.

Algemeen werd vroeger de gestreepte dennenrups voor een der gevaarlijkste, zoo niet voor de allergevaar lij kste, gehouden van de verschillende rupsensoorten, die onze dennenbosschen kunnen teisteren. Wtte- WAALL 4 vermeldt, dat in en in Gelderland Hektaren dennenbosch door de gestreepte dennenrups werden aangetast, en dat daarvan Hektaren geheel werden ver- nield; dus bijkans de helft van de aangetaste bosschen zouden toen te gronde zijn gegaan.

Van toen af aan besloot hij, na een dennenrupsen- plaag eene meer afwachtende houding aan te nemen, en sinds- dien kon hij meerdere malen constateeren, dat er door vreterij van de gestreepte denneni'ups, zelfs bij totaal kaalvreten, be- trekkelijk zeer weinig hout doodging. Toen men, waarschijnlijk tengevolge van de door Ratzeburg opgedane ervaringen, in Duitschland meer algemeen het dadelijk vellen van de door de gestreepte dennenrups kaalgevreten bos- schen naliet, en liever eerst wachtte om te zien, hoe de boomen zich na de vreterij hielden, schijnt men daar vrij algemeen te hebben vastgesteld, dat de gevolgen dezer vreterij in zeer vele gevallen werkelijk niet zoo ernstig zijn, als men zich vroeger voorstelde.

In de afdeeling Borne- mannspfuhl van het Biesenthaler distrikt was er kort vóór mijne vestiging te Eberswalde een ernstige vreterij van de gestreepte dennenrups geweest. In en '70 kenmerkten zich de het ergst aangetaste gedeelten nog door zeer dunne kronen.

Nu echter is er nauwlijks meer verschil te zien tusschen deze gedeelten en andere perceelen van gelijken leeftijd.

Echter zijn daar in de eerste jaren na de vreterij meer dunne stammen dood- gegaan dan elders Men schijnt aan de vreterij van deze rups vroeger eene veel te groote schadelijkheid te hebben toe- geschreven. Alleen bij het optreden van rozetten is het doodgaan van de boomen hoogst waarschijnlijk.

Het behoeft wel geen betoog, dat het verschil in bodem en standplaats en de gesteld- heid van het weer, alsmede het al of niet terugkeeren van de plaag in het volgende jaar er grooten invloed op hebben, wat 1 Ratzeburg,.

Algemeen wordt in Duitschland de gestreepte dennenrups minder gevaarlijk geacht dan de dennenspinner. Het lag eenigszins voor de hand, a priori aan te nemen, dat de gestreepte dennenrups veel schadelijker zou zijn dan de den- nenspanrups, omdat zij zich zooveel eerder in 't jaar in de den- nenbosschen vertoont. Eerstgenoemde vreet in den voorzomer Mei tot Juli , de tweede in de tweede helft van den zomer tot in den herfst Juli tot October. De gestreepte dennenrups ver- nielt dus de naalden reeds in 't begin van het vegetatietijdperk; laatstgenoemde laat althans hun nog een halven zomer den tijd om te functioneeren.

Daarbij komt, dat de gestreepte dennenrups, althans gewoon- lijk, in jeugdigen toestand de pas uitgeloopen naalden der mei - scheuten vernielt, en eerst later de oudere naalden gaat af vreten; terwijl de dennenspanrups uitsluitend deze oudere naalden eet en slechts dan de naalden van het laatste jaar aantast, wanneer er anders niets meer te eten is.

Ook vreten de gestreepte dennen- rupsen soms de tusschen de naaldenparen gezeten knoppen uit, en komt het misschien voor, dat zij de jonge meischeuten zelve aanvreten. Bij de dennenspanrups niets van dat alles. Ofschoon alleen de ervaring kan beslissen, welk van de twee insekten ge- vaarlijker voor de bestanden is, zoo schijnt het toch wel voor de hand te liggen, dat de gevolgen van eene sterke vreterij door de gestreepte dennenrups veel ernstiger voor de bosschen zullen zijn, dan die van eene even sterke vreterij van de spanrups.

Maar hoewel ik dit in 't algemeen ook zonder aarzelen aan- neem, zoo geloof ik toch, dat — althans bij volkomen kaalvraat — enkele malen het omgekeerde het geval kan zijn. De vreterij van de gestreepte dennenrups grijpt zóó vroeg in 't jaar plaats, dat er voldoende tijd is voor de vorming van ,, scheedescheuten", waardoor het in den voorzomer kaalgevreten bosch in den na- zomer en tegen 't najaar weer eenigszins groen wordt.

Een boom, die eerst in den nazomer en den herfst al zijne naalden verliest, kan in dat zelfde jaar geen scheedescheuten vormen: Ik bezocht verschillende streken, waar de vreterij voorkwam, zooals Zeist, Doorn, Maarsbergen en omgeving, Ben- nekom en Dieren.

Ik wendde mij tot verschillende beheer- ders van bosschen, die mij zeer waardevolle inlichtingen gaven, en vernam ook bij gelegenheid van de bespreking, die op 25 Sep- tember op initiatief van den Heer Van Dissel te Utrecht gehouden werd, van de in de noot op bl. Nadere inlichtingen omtrent de plaag op de Over-Veluwe met schets- kaartjes, waarop de aangetaste perceelen waren aangeduid, liet de Heer Tutein Nolthenius mij op mijn verzoek door den Hof jager J.

Heide-Maatschappij, den Heer J. Aan allen, die mij bij de verzameling van gegevens hunnen steun hebben verleend, bied ik mijnen hartelijken dank; inzonderheid aan de Heeren Tutein Nolthenius en Van Lonkhuyzen, aan wie ik wel de meeste gegevens te danken heb.

Voor zoover ik heb kunnen vernemen, kwam eene abnormale vreterij van de gestreepte dennenrups voor in de volgende streken: Bij Raalte de Luttenberg 5 H. Wat de Noordelijke Veluwe betreft, de rups is in 't algemeen tot meer dan normale vermeerdering gekomen in alle dennen- bosschen, die men aantreft in den vierhoek, gelegen tusschen Apeldoorn, Voorthuizen, Harderwijk, Nunspeet, Epe en Apel- doorn; echter maar zeer weinig in het gedeelte van dezen vijf- hoek, gelegen ten Oosten van de lijn Garderen, Elspeet, Gortel Epe.

In sommige gedeelten van dit Oostelijke stuk van den 51 bovenaangeduiden vierhoek was zelfs in 't geheel geen sprake van eene abnormale vermeerdering; zoo bijv. Zoo zijn in de buurt van Staverden, in het Leuvenumsche het Sprielder en het Speulderbosch groote stukken in erge mate beschadigd. Een groot bosch bij Welna, Noordoostelijk van Vierhouten, is over zijne geheele oppervlakte beschadigd, maar slechts zeer weinig, zoodat men nauwlijks van eene beschadiging kan spreken. De Heer Van Lonkhuyzen bericht mij, dat het zeer moeilijk is, een eenigszins juiste opgave te verstrekken van het aantal Hektaren, dat in den vierhoek Apeldoorn- Voorthuizen-Harder- wijk-Nunspeet-Epe- Apeldoorn is aangetast; maar hij meent te mogen aannemen, dat daar omtrent Hektaren sterk be- schadigd en ruim Hektaren in miiidere mate beschadigd zijn.

Bij Lunteren is, volgens mededeelingen van den Heer R. Deze bosschen liggen op den Berg, op de grens van Lunteren en Wekerum. Koker te Arnhem behoorende bosschen zijn 9 Hektaren sterk aangetast. Onder Renkum werden 20 Hektaren kaalgevreten op Bosch - beek en Buunderkamp. Onder Arnhem werden op den Kemperberg nabij Schaars- bergen 25 Hektaren en in de gemeentebosschen Hektaren zeer beschadigd. In het,, Lierderbosch" strekte zich eene aantasting over enkele Hektaren uit. Verder kwamen er minder belangrijke aantastingen voor op den Michelenberg en bij de Woeste Hoeve.

In de omstreken van Soest, Soestdijk en Baarn, waar ik een onderzoek instelde, kwam de plaag niet voor evenmin in het Gooi. Aansluitend aan Wallenburg ligt, naar de Heer W. Het geheel in de bos- schen gelegen Austerlitz ligt te midden van sterk bevreten dennenbosschen.

Op het landgoed Ruitersberg te Doorn werden nog 20 Hek- taien oud bosch zeer sterk bevreten. In de buurt van Driebergen werden op het landgoed van Mejufvrouw Luden 48 Hektaren ongeveer 20 jarige dennen erg beschadigd, üp de bezittingen van den Heer Godin de Beaufort werden 25 Hektaren 70 — 80 jarige dennen sterk aangetast; min- der sterk werden beschadigd 20 Hektaren ongeveer 40 jarigeen Hektaren 25 tot 30 jarige grove dennen.

Onder Amerongen zijn van Graaf van Alden burg Bentinck meer dan Hektaren oude en jonge bosschen meer of minder sterk aangetast, waarvan ruim een 30 Hektaren in zeer hooge mate. Het kan natuurlijk zijn, dat op nog enkele andere plaatsen in ons land eenige beschadiging voorkwam; allerwaarschijnlijkst was deze echter van betrekkelijk geringe beteekenis. Het verdient opmerking, dat bijna overal waar de gestreepte dennenrups zich vrij sterk of zeer sterk had vermeerderd, de nonvlinderrups ook in grooter aantal voorkwam dan in normale jaren.

Ik vermeld dan ook het boven- staande alleen voor de curiositeit. De commissie schreef, dat zij inzage had gehad van verschillende stukken, verslagen, enz. Landbouw", eene algemeene opgave en bekendmaking van die middelen te doen, welke in de voor ons liggende stukken met zoo veel nauwkeurigheid en veel belovend uitzigt, als op de beste gronden eener verstandige Theorie en ondervinding steunende zijn opgegeven.

Gelukkig dat de commissie althans de door haar zelve uitgedachte kostelijke, niaar ook kostbare bestrijdingsmiddelen niet aan het nageslacht heeft onthouden! Het schijnt, dat niemand van degenen, die iets geschreven hebben over de dennenrupsenplaag, welke in en in ons land heerschte, iets van die plaag zelve gezien heeft; omtrent de uitgebreidheid der plaag, omtrent de gevolgen der vreterij, om- trent middelen, die men eventueel ter bestrijding heeft aange- wend niet: Toen zijn vooral door Dr.

Brants in Gelderland en door Mr. Verloren in Utrecht nauwgezette en uitvoerige onderzoekingen aangaande de plaag ingesteld. Zoo vaag en onnauwkeurig de aanteekeningen zijn, die ons ter beschikking staan omtrent de dennenrupsenplaag in en , zoo nauwgezet en uitvoerig zijn de waarnemin- gen, die gedaan zijn over de plaag in — Backer te Oosterbeek bracht een verslag uit over een proef, door hem genomen, om door middel van het drijven van varkens in de bosschen de poppen te laten vernielen en daardoor de plaag voor een volgend jaar te trachten te voor- komen 2.

Verloren i hoogst belangrijke waarnemingen, terwijl hij ook een overzicht gaf van de door hem uit de rupsen gekweekte parasieten. Naar aanleiding van de in de jaren en gedane waar- nemingen, zij het mij vergund het volgende mee te deelen. Ofschoon van eene eigenlijke plaag niet eerder dan in kon worden gesproken, zoo bleken toch reeds in de ge- streepte dennenrupsen op verschillende plaatsen in meer dan normaal aantal aanwezig te zijn; terwijl men op vele andere jjlaatsen, waar in dat jaar de meer dan normale vermeerdering der rupsen niet was waargenomen, toch reeds vroeg in vele pophuiden van den dennenuil en cocons of poppen van parasieten sluipwespen en parasietvliegen van dit insekt in het strooisel aantrof: In sommige bosschen vertoonde zich eene meer dan normale vermeerdering der rupsen eerst in , terwijl eene eigenlijke plaag ernstige vreterij of kaalvraat pas in optrad.

Zoo kon meer dan gewone vermeerdering reeds in te Zeist en de Vuursche worden geconstateerd, terwijl in daar vele bosschen ernstig werden aangetast of zelfs geheel kaal werden gevreten. Te Driebergen vertoonde zich eerst in eene meer dan gewone vermeerdering van de dennenrupsen, waar- op pas in eene ware plaag met kaalvraat optrad.

Ook in Gelderland kwam in sommige bosschen ernstige vreterij reeds in voor, in andere bosschen eerst in In had de plaag zoowel in Gelderland als in Utrecht overal geheel opgehou- den.

Omtrent de uitbreiding der plaag in en 45 vind ik voor Utrecht vermeld, dat in deze provincie ernstige vreterij en belangrijke beschadiging alleen werd waargenomen in bos- schen bij de Vuursche, Soest, Zeist en Driebergen.

Wat Gelder- land betreft, zijn uitvoerige inlichtingen omtrent de uitbreiding der plaag in de verschillende gemeenten door de gemeentebestu- ren verstrekt aan eene corporatie, gevormd uit de toen bestaande 1 Mr. Deze opgaven zijn in een Staat vereenigd, dien ik hieronder wil weergeven.

Voor iedere gemeente ot meestal voor ieder daarbinnen gelegen bosch- distrikt werd zooveel mogelijk opgegeven lo de oppervlakte van van de daarin gelegen dennenbosschen, 2o de oppervlakte van de aangetaste perceelen bosch, 3o de oppervlakte van het ge- deelte daarvan, dat geheel vernield werd, 4o de leeftijd der aan- getaste dennen.

Bosch van Mollerus Geen opgave Totaal Gelderlan 1. Nadat toch de com- missie erop heeft gewezen dat. Verloren èn in Gelderland vooral door Dr. Brants, maar ook door de geheele Provinciale commissie in zake de dennenbeschadiging in en vele belang- rijke waarnemingen zijn geboekstaafd omtrent de leefwijze en de verbreiding van de gestreepte dennenrups, omtrent den aard en de intensiteit der beschadiging, omtrent middelen, die werden aangewend ter bestrijding van de plaag, alsmede omtrent de natuurlijke vijanden van het meergenoemde schadelijke insekt.

Inderdaad zal ieder het eens moeten zijn met wat Dr. Verloren zich uitmuntend van hunne taak gekweten heb- ben. Wat er in en op dat gebied 1 Dr. Zoo in 18H9 onder Otterloo en Ede, waar de vreterij van de gestreepte dennenrups toen ook, evenals nu, gepaard ging met eene ver- meerdering van nonrupsen boven het normale geta.

Volgens eene mededeeling van Dr. Oudemans waren de gestreepte dennenrupsen ook in de buurt van Zeist zeer talrijk in het jaar Volgens den Heer W. Voor België dus 5 Nederlandsche guldens, niet frs. Phytopa- thologische Vereeniging, Leidsche Vaart 86, Haarlem.

Afzonderlijke afleveringev worden niet verstrekt. Voor plaatsing wende men zich tot den Onder- Voorzitter der Nederl. Beknopt verslag van de excursie der Nederlandsche Phytopatho- logische Vereeniging naar Lisse en omgeving oj Zaterdag 21 Juni Daartoe aangezocht door Voorzitter en Secretaris der Vereeni- ging geef ik daarvan thans een kort verslag.

Van Slogteren niet in de gelegenheid was een nauwkeurig overzicht te geven van den stand zijner proef- nemingen betreffende de verschijnselen van het aaltjesziek in narcissen, hyacinthen en andere bolgewassen en betreffende de bestrijdingswijzen van deze ziekte, daar moest ik mij bepalen tot verschillende opmerkingen van algemeenen aard, tot eene oppervlakkige bespreking van de tentoongestelde praeparaten, foto's en teekeningen en tot het geven van eene korte toelichting van hetgeen 's middags te velde zou worden waargenomen.

Natuurlijk werden bij deze bespreking de verrichtingen van Dr. Van Slogteren zooveel mogelijk aangehaald, hoewel de bespreking daarvan anders de hoofdschotel zou hebben gevormd. Ik nam zijn werk echter als uitgangspunt. Mij komt deze bestu- deerings- en onderzoekingswijze de meest logische voor, omdat ze het snelst tot resultaat moet leiden. Daarom heb ik haar ook voorgesteld aan de Algemeene Vereeniging voor Bloembollen- cultuur bij gelegenheid van mijne lezing over het aaltjesziek in de narcissen, voor die vereeniging te Haarlem op 26 Juni gehouden, nadat ik me vooraf van de medewerking van den Heer Directeur-Generaal van den Landbouw voor een der- gelijk voorstel had verzekerd.

Elk wetenschappelijk onderzoek, hoe scherpzinnig en degelijk ook geleid, loopt voortdurend gevaar van het voor de praktijk meest belangrijke doel te worden afgeleid, wanneer door het voortdurende contact met de be- hoeften van de praktijk van het betreffende vak geen of zelfs onvoldoende rekening wordt gehouden en het wezen van de onderhavige cultuur niet of onvoldoende tot den onderzoeker doordringt.

De bestudeering van eene bepaalde ziekte buiten de cultuur om en zeer in het bijzonder die, welke ter hand wordt genomen op plaatsen, waar de betreffende cultuur niet op normale wijze kan worden gedreven, moet daarom als regel leiden tot onjuiste, althans minstens tot minderdoelmatige adviezen en zeer zeker is dat het geval, wanneer dat onderzoek verricht wordt zonder geregelde veldwaarnemingen en cultuurstudies.

Het meest vruchtbare en het snelst tot het doel leidende onderzoek kan daarom slechts verricht worden te midden van de zieke cultuur zelf. Voorop toch staat bij de bestudeering van het ziektebeeld, dat de te infecteeren plant zich op volkomen normale wijze kan ontwikkelen en wel zooveel mogelijk onder gewone cultuur- omstandigheden.

In hoeverre dit bij de verschillende gewassen, waarvan ziekten in studie worden genomen, mogelijk is, wil ik in het midden laten. Voor de bestudeering der bloembollen- ziekten evenwel komt het me op normale wijze drijven van de cultuur elders dan in de bloembollenstreek vrijwel onmogelijk voor. En waar bijna elke cultuur buiten het district tot abnor- male ontwikkeling moet leiden, moeten de kunstmatig op te wekken ziekte-symptonen bij dergelijke gecultiveerde planten den terugslag daarvan in nadeeligen zin ondervinden.

Elke zich abnormaal ontwikkelende plant is voor de bestudeering van de ziektesymptonen van welke ziekte ook, voor hare verspreidings- 63 en bestrijdingswijzen een ongewenscht object.

Reeds daarom verdient een wetenschappelijk onderzoek te midden van het cultuurcentrum de meest warme aanbeveling. Nu stellen de bloembollen aan de groeivoor waarden zeer bij- zondere eischen. Daarom is die cultuur ook zoo gelocaliseerd.

En in zeer bijzondere mate geldt dit voor de hyacinthencultuur, dikwijls voor de narcissencultuur en in veel mindere mate voor de tulpencultuur. Wie daarom de ziekten der bolgewassen wil bestudeeren, infectieproeven enz. Ik wil daarom wijzen op enkele factoren, welke den normalen groei van de bolgewassen en meer bepaaldelijk dien van de hyacinth beheerschen: Onderstaande analyses geven op den aard van den hyacin- thengrond voldoenden kijk.

Ze hebben betrekking op mij be- kende gronden, terwijl de monsters door mij zelf genomen zijn. Het lage gehalte van de voor de plantenvoeding meest nood- zakelijke elementen komt hierin duidelijk uit en even zoo dat van het humus gehalte. Alleen het kalkgehalte is hoog van de voor de hyacinthencultuur meest geschikte gronden. Deze kalk komt hier in den bodem voor als koolzure kalk en is afkomstig van schelpen.

Hoe fijner die schelpen verbrokkeld zijn en hoe regelmatiger die fijnste brokstukjes door den grond heen ver- deeld zijn, van hoe grooter waarde is deze grond voor de cultuur.

Zooveel mogelijk moeten de kalkdeeltjes niet of nauwelijks met het oog zichtbaar zijn. En deze voorwaarde geldt nog niet zoo zeer voor den bovengrond, doch vooral voor den ondergrond met het oog op de diepe grondbewerkingen, welke gedurig worden toegepast. Hierbij toch wordt de ondergrond naar boven gewerkt en de bovengrond naar beneden. Voor de cultuur, doch niet minder voor het optreden, verspreiden en bestrijden van plantenziekten, is dit punt van zeer veel gewicht.

Naast het gehalte aan voedende bestanddeelen is de grootte der bodembestanddeelen van bijzondere beteekenis. De korrelgrootte is derhalve, als gevolg van de vormingswij ze van den grond, 64 bijzonder gelijkmatig. Voor de waterbeweging in den grond is dit van groot belang. Tot op vrij groote diepte is Ie klasse hyacinthengrond vrij homogeen van samenstelling, waardoor het diep omwerken van den grond geen bezwaar oplevert wat den aard van den grond betreft. Bij grond van mindere kwaliteit is dat óf minder goed óf niet mogelijk, zooals dat bij meerdere narcisgronden het geval is.

Immers daar is de ondergrond veelal van geheel andere samenstelling en voor de teelt der betreffende bolgewassen dik- wijls absoluut ongeschikt. De bloembollenstreek behoort tot het waterschap Rijnland.

De meeste bloemboUengronden staan in open gemeenschap met het boezemwater van dit waterschap. Ongeveer 50 a 60 cm. Is een grondstuk te laag gelegen, dan wordt het opgehoogd, ligt het te hoog, dan wordt het af gezand. Regen of geen regen, de watervoorziening is daardoor, mede in verband met de samenstelling van den grond, steeds verzekerd door aan- voer vanuit het grondwater.

Natuurlijk kan in tijden van lang- durige droogte het bovenste grondlaagje uitdrogen, vooral van de hoogst gelegen, meest humusarme gronden.

Toch lijden de bollen hoogst zelden aan watergebrek. Wel beïnvloedt veel of weinig regen de resultaten van het gewas, omdat daarmede zooveel andere zaken in verband staan: In 't algemeen is de geregelde watervoorziening echter ver- zekerd. Deze geregelde watertoevoer is van groote beteekenis. Zelfs luistert dit zóó nauw, dat de meer of minder diepe planting de grootte en de kwaliteit van de bollen beïnvloedt.

Bij diepere planting is b. Het vochtgehalte der bol schijnt daarbij grooter. Doch afgezien van deze meer kleine afwijkingen, welke met de watervoorziening in nauw verband staan, is de geregelde watertoevoer — ook in tijden van langdurige droogte — be- slissend voor het gelukken van de cultuur.

Hapert daar iets aan dan krijgt men eene abnormale ontwikkeling der bollen. Hoe groote verscheidenheid er ook moge bestaan in de terrein- verdeeling der verschillende bloembollenkweekerijen, voor het meerendeel worden de bloembollen toch geteeld op open terrei- nen, door meer of minder hooge hagen afgescheiden en ingedeeld voor 't meerendeel in hoeken van gemiddeld omstreeks — Rijnl. Roeden grootte 1 H.

Meestal is het terrein bovendien doorsneden door vrij breede vaarslooten. De haag-hoogte varieert van 2 a 4 meter in oude tuinen tot ± 1. Soms ontbreken de hagen ook geheel. In verband met het optreden van ziekten worden hyacinthen op meer besloten ,niet te besloten, terreinen gekweekt, narcissen om dezelfde reden meer op het open veld. Neemt men verder in aanmerking, dat tientallen, soms honderdtallen H. Voor den kweeker, doch niet minder voor den phytopatholoog, zijn deze hagen van bijzondere be- teekenis.

Soms zijn ze vrij open, soms zeer dicht altijd groene hagen. Ze breken den wind, en ze localiseeren dikwijls ziekten, doch kunnen deze ook herbergen, ondanks de zorgvuldigste diepe grondbewerking van het terrein, door die hagen omgeven. De IC eersinvloed en. Het is niet te ontkennen, dat ieder gewest van eenige afmeting en vooral wanneer dit eene bijzondere ligging heeft, in klimaat afwijkt van het andere. Zoo is de ligging van de bloembollen- streek evenwijdig aan en vlak bij de Noordzeekust van bijzondere beteekenis voor de hier gedreven cultuur.

De boomengroei wordt door heftige Westelijke zeewinden vaak allernadeeligst beïnvloed. Hoe nadeelig zijn ze ook niet voor den groei der bol- gewassen, vooral in het voorjaar, kort na het losdekken. Ongelukkig hij, die dan zijne hoeken niet stuif vrij heeft liggen! Soms, zoowel in het najaar als in het voorjaar, komt het zelfs voor, dat b. Hagen kunnen dan zeer nuttig zijn. Hoe kan ook de regenval van het eene gewest bij het andere verschillen en welk een groot onderscheid kan er niet bestaan 66 in den absoluten en den relatieven vochtigheidstoestand van de lucht, welke van zoo overgroote beteekenis is voor de ontwikke- ling van plantenziekten!

Hoe komt soms plotseling een dichte mist opzetten, welke zich met groote snelheid, a. Een treffend schouwspel, doch hoe noodlottig vaak voor de cultuur in verband met het zich plotseling op groote schaal ontwikkelen van sommige ziekten.

De bloemboUenkweeker weet daarover mee te praten. Men vergete hierbij niet, dat het hier seedampen betreft. Zoo staat de teelt van bloembollen en daarmede de ziekten dier bolgewassen steeds rechtstreeks onder den invloed van de zee, welke nu eenmaal niet naar elders is mee te nemen, zooals dat met den grond wel min of meer gaat. De bemestingswijze, de grondbewerking en vooral de vrucht- opvolging staan mede in rechtstreeks verband met het optreden, verspreiden en bestrijden van plantenziekten.

En welk een be- langrijke factor is niet de voortkweekingswijze onzer bolgewassen. Narcissen worden alleen vermenigvuldigd door de op natuurlijke wijze gevormde klisters, waarvan het aantal per bol klein is. Hyacinthen daarentegen, kan men ook voortkweeken door hollen en snijden! Hoe talloos vele bolletjes verkrijgt men op deze manier niet van ééne bol? Het zou me niet moeilijk vallen meerdere punten hieraan toe te voegen doch ik wil het hierbij laten. Slechts wil ik nog wijzen op het bijzonder groote voordeel, dat de onderzoeker, die zijn onderzoek te midden van de cultuur verricht, heeft, n.

Dit punt is van onschatbare waarde voor hem, omdat hij door geregelde besprekingen met de kweekers zich op de hoogte kan stellen van hunne jarenlange ervaringen en van hunne ideeën omtrent de ziekten. Herhaalde aanraking en bespreking is noodig, zelfs van dezelfde onderwerpen, omdat het inzicht der besproken feiten zich wijzigt naarmate men meer met hunne denk- en uitdrukkingswijzen vertrouwd begint te geraken.

Men schijnt elkaar soms begrepen te hebben, terwijl later vaak het tegendeel blijkt. Hoe veelvuldig zijn daarbij niet de ervaringen van de kweekers, van wie er velen zoo bewonderenswaardig scherp waarnemen, al raken hunne verklaringen vaak kant I 67 noch wal. En hoe groote verscheidenheid bestaat er niet tusschen de besproken gevallen in verband met de grondsoorten, de variëteiten, de cultuiirmethoden enz. Van welke overwegende beteekenis is het daarbij voor den onderzoeker niet, dat hij zijne proefnemingen en proefvelden kan inrichten in voortdurend overleg met die vaklui.

Vakkundig toezicht staat hem steeds ten dienste. Daarbij kan hij, zoo dik- wijls hij dit noodig en wenschelijk acht, over optredende ver- schijnselen, verwachte en niet verwachte resultaten de kundigste vaklui consulteeren.

Hoe geheel anders en hoe veel moeilijker, wanneer de onderzoeker geheel op zich zelf is aangewezen en zijne proef planten moet kweeken onder geheel abnormale om- standigheden, waaronder zelfs normale ontwikkeling der bollen niet mogelijk is! Het spreekt van zelf, dat er ook niet geringe bezwaren aan het systeem: De geïso- leerde ligging, het derven van een modern ingericht laboratorium met al de vaak noodlottige gevolgen van dien, enz. Daarom verdient de inrichting van een goed laboratorium te midden van elke cultuur van voldoend economische beteekenis de sterkste aan- beveling.

Meerdere vakproblemen wachten immers nog op eene wetenschappelijke oplossing! Feitelijk moet de studie van de ziekten van de planten, in dit geval van de bolgewassen, daarbij rusten op eene nauw- keurige botanische kennis der planten van onderzoek, zoowel met betrekking tot de kennis harer systematiek en morphologie als met die omtrent hare anatomie, physiologie enz. Helaas ontbreken deze gegevens van de bolgewassen vrijwel volkomen.

Welk een uitgebreid arbeidsveld ligt hier nog open! Gelukkig, dat met de oplossing van enkele zeer belangrijke en interessante problemen thans een aanvang is gemaakt. Na een tijdje hebben de ontwikkelaars van luchtdruk vibrator Womanizer een nieuw model op de markt gebracht. Een luchtdruk vibrator die Womanizer Pro40 heet. Deze luchtdruk vibrator richt zich op een veel breder publiek dan zijn voorganger.

Satisfyer is net als de Womanizer een luchtdruk vibrator en heeft nagenoeg dezelfde werking. Waarmee Satisfyer zich voornamelijk onderscheidt is het prijskaartje. Het verschil zit voornamelijk in de afwerking en het materiaal.

De Satisfyer voelt net even wat goedkoper aan dan een Womanizer luchtdruk vibrator en dat zie je ook terug in de prijs. Hoewel de Satisfyer Pro2 een relatief goedkope luchtdruk vibrator is, hebben de ontwikkelaars van Satisfyer niet stil gezeten.

Eind kwamen een viertal nieuwe modellen van op markt. Veel mensen hadden duurdere modellen verwacht, maar niets is minder waar. Winkelwagen   Je winkelwagen bevat geen artikelen. Mijn account Merken Verlanglijst Inloggen.

Toon 21 42 63 per pagina. Luchtdruk Vibrator Kopen Maak kennis met de nieuwste manier van stimulatie met een luchtdruk vibrator. Erg geschikt voor moeilijke klaarkomers Veel vrouwen hebben moeite met klaarkomen. Womanizer Na de komst van de eerste luchtdruk vibrator van Womanizer werd de wereld van sexspeeltjes blij verrast. Satisfyer Satisfyer is net als de Womanizer een luchtdruk vibrator en heeft nagenoeg dezelfde werking.

Kenmerken van een luchtdruk vibrator Revolutionair Stimulatie met luchtdrukgolfjes Ook geschikt voor vrouwen die moeite hebben met klaarkomen Veel waterdichte luchtdruk vibrator modellen Relatief stil in gebruik Stimulatie zonder penetratie.

..


Al deze insecten zijn in den groeitijd slechts op zeer onvol- komen wijze te bestrijden, terwijl met een carbolineumbe- spuiting de Ie en 2e vrijwel geheel uitgeroeid en de 3e sterk verminderd kunnen worden. Ter verkrijging van zulk een uit- komst is het echter noodzakelijk, dat alle takken, ook de fijnste, en de stam tot aan den voet geheel worden bespoten.

Tegelijk met de perzik kan de druif bespoten worden. Deze kan echter zonder eenig bezwaar een sterkere oplossing ver- dragen. Hiervoor kan zonder bezwaar hetzelfde tijdstip gekozen worden, als voor den perzik is aangegeven, hoewel iets later ook nog zeer goed gaat. Er zij hier echter op gewezen, dat de druiveboomen niet 23 ingesmeerd mogen worden met de carbolineumoplossing, maar dat deze moet worden verspoten met behulp van een pulve- risateiir.

Het insmeren van de druif geeft in vele gevallen aan- leiding tot het beschadigen der knoppen; het bespuiten der boomen doet dit niet. Uitvoerige inlichtingen over de bespuiting van perzik en druif vindt men in: Mededeelingen van den Phytopathologi- schen dienst No 5. Dopluis op perzik en druif, a 25 cents per stuk verkrijgbaar bij het Hoofd van den Phytopatho- logischen Dienst te Wageningen.

In 't kort zal hieronder een overzicht gegeven worden van de meest gebruikelijke ontsmettingsmiddelen met gebruiksaanwijzingen. Voor nadere gegevens omtrent de ziekten zelf wordt verwezen naar Mededeeling no. Steenbrand in tarwe en gerst. Het meest en met succes ge- bruikte middel tegen deze ziekte is kopervitriool.

Andere gebruikelijke middelen zijn Uspulun en formalijie. In Duitschland heeft men goede resultaten met Uspulun verkregen. Na de be- handeling het graan op een vooraf schoongemaakte plek uit- spreiden ter droging. Het gebruik van formaline is minder aan te bevelen, aange- zien het meermalen voorkomt, dat deze vloeistof, als men ze van plaatselijke leveranciers betrekt, door langdurig staan de vereischte sterkte heeft verloren ; om dezelfde reden is formaline die van eene behandeling is overgebleven, eene volgende keer vaak onvoldoende werkzaam.

Stuifbrand in tarwe en gerst. Aangezien de veroorzaker van deze ziekte zich binnen in de korrel bevindt, kunnen geen bijten- de middelen worden aangewend, omdat dan tegelijk met de schimmel ook Ie kiem gedood zou worden. Er wordt gebruik gemaakt van warm water. De te gebruiken thermometers moeten gecontroleerd zijn, aangezien zeer vaak miswij zingen van y2 graad en meer voorkomen.

Nadere bijzonderheden omtrent de uitvoering van de heet waterbehandeling zijn te vinden in Mededeeling no 4 van den Phytopathologischen Dienst, welke instelling ook gratis advies geeft en hulp verleent. De stuifbrand in haver wordt evenals de steenbrand in tarwe en gerst veroorzaakt door een schimmel, waarvan de sporen zich buiten aan de korrels bevinden.

Tegen deze ziekte kan dus ook gebruik gemaakt worden van bijtende middelen. Kopervitriool is niet aan te raden, omdat gebleken is, dat de kiemkracht van met kopervitriooloplossing behandelde haver vrij sterk achteruitgaat. Zeer goede resultaten zijn bereikt door de haver gedurende 10 minuten onder te dompelen in water van 53 — 54° C. Er behoeft geen weeking aan vooraf te gaan. Een behandeling met formaline geeft onzekere uitkomsten. Na de be- handeling blijft het graan 8 — 12 uur, met vochtige zakken be- dekt, liggen om zoodoende de formalinedampen goed te laten inwerken.

Uspulun, op dezelfde wijze aangewend als bij tarwe, schijnt volgens Duitsche onderzoekers eveneens goede resultaten te geven. Hier te lande zijn nog geen voldoende proeven met dit middel genomen. Vergelijkende proeven met Uspulun zijn niet genomen, zoodat hierover nog geen oordeel kan geveld worden. Deze ziekte treedt hier te lande weinig op.

Wanneer het noodzakelijk is de rogge hiertegen te ontsmetten, kan men op dezelfde wijze te werk gaan als bij ontsmetting tegen steenbrand in tarwe of gerst. Het meest heeft hiervan de zomertarwe te 26 lijden, maar ook wintertarwe, haver, gerst en rogge kunnen met deze schimmels besmet zijn. Het beste middel is wel de heetwater- behandeling maar koper vitriool, sublimaat en zeer waarschijnlijk ook Uspulun staan in werking weinig hierbij ten achter; forma- line is veel minder werkzaam.

De heetwaterbehandeling geschiedt op de bovenaangegeven wijze, evenals die met kopervitriool en Uspulun zie behandeling tegen steenbrand. Vaak komen de kiemschimmels op graan voor, dat door slechte weersomstandigheden geleden heeft. Met het oog op de kans, die er bestaat, dat ook de kiem eenigszins geleden heeft, doet men in zulke gevallen beter geen gebruik te maken van de warmwaterbehandeling, tenzij men bij tarwe en gerst tegelijk met de kiemschimmels ook de stuif brand wil be- strijden.

Ook is gebleken, dat alsdan bij gebruikmaking van koj er vitriool de oplossing het best eenigszins gewijzigd kan worden.

Wil men sublimaat aanwenden, dan moet hiervan per H. Sublimaat is een zeer sterk maaggif; men zij er dus voorzichtig mede. Wanneer in tarwe en gerst steen- en stuifbrand tegelijk voorkomen, moet eerst het graan ontsmet worden op de voor steenbrand aangewezen wijze. Daarna wordt de warm- waterbehandeling toegepast. Bij de ontsmetting houde men zich precies aan de hierboven gegeven voorschriften.

Afwijking ervan kan óf een onvoldoende werking van de ontsmetting, óf vermindering van kiemkracht tengevolge hebben. Er mag geen gebruik gemaakt worden van ondeugdelijke ontsmettingsmiddelen.

Bij aanwending van koper- vitriool komt dit nog meermalen voor. Kopervitriool en sublimaat mogen niet opgelost worden in ijzeren of blikken vaatwerk; hiervoor gebruike men houten of steenen. Wanneer het graan zeer sterk besmet is met steenbrandsporen, doet men goed het vooraf in water onder te dompelen, om de geheele brandkorrels te verwijderen.

Voordat het dan met een ontsmettingsmiddel wordt behandeld, moet het goed gedroogd zijn. Na de ontsmetting van het graan moet er voor gezorgd worden, dat niet opnieuw besmetting kan plaats vinden. Dit kan gebeuren, wanneer het behandelde graan op plaatsen wordt uitgespreid, waar besmet graan gelegen heeft, 27 dus op dorsch vloeren, zolders enz. Het ontsmette graan mag in geen geval in dezelfde zakken gestort worden, waarin het zich voor de ontsmetting bevond, tenzij deze zakken ook ontsmet zijn.

Ook de zaaimachine kan een bron van herinfectie zijn. Men ontsmette ieder jaar opnieuw al het zaaigraan! De abnormaal sterke vermeerdering van de gestreepte den- nenrups, die in in verscheiden dennenbosschen in ons land werd waargenomen, en waardoor groote schade werd aangericht, gaf mij aanleiding tot het schrijven van het onderstaande artikel, waarin ik de door mij gedane waarnemingen en ook die van anderen, welke mij bekend werden, heb neergeschreven, en een overzicht heb gegeven van wat in vroegere jaren in ons land en daarbuiten omtrent de dennenrupsenplaag bekend werd; terwijl ik verder het licht heb laten vallen op de oorzaken, welke de vermeerdering van het schadelijke insekt kunnen tegenhouden en in de hand werken, — op de gevolgen, welke de dennen onder- vinden van de vreterij, — en ten slotte op de middelen ter be- strijding en voorkoming van eene gestreepte dennenrupsenj laag.

De gestreepte dennenrups ontstaat uit de eieren van den dennenuil. Allereerst beschrijf ik dit insekt in zijne verschil- lende levenstoestanden van ei, van rups, van pop en van vlinder. Het ei is lichtgroen, cirk eirond, met eene platte onderzijde en eene gewelfde bovenzijde, die op haren top een uitstekend wratje draagt, hetwelk in 't midden weer ingedeukt is.

De vorm is ongeveer die van een Malva-vrucht. Meestal zitten de eieren in rijtjes van 6 — 8 stuks of meer aan eene naald. De rups heeft, behalve drie paar borstpooten, vijf paar achterlij f spooten; maar in den jeugdtoestand zijn de eerste twee paren achterlij f spooten kort, waardoor de gang dan wordt onge- veer als die van eene spanrups.

De volwassen rups PI. De kop is groot, glimmend geel met eene roode, netachtige teekening, zoo- dat dit lichaamsdeel bij oppervlakkige beschouwing rood lijkt.

Men treft nog dezelfde overlangsche strepen aan als bij de jonge rups. De gele overlangsche streep, die zich bij de jonge rups aan elke zijde bevindt, wordt vaak tot eene witte overlangsche streep met een oranjerooden buitenrand. Vóór iedere vervelling worden de gestreepte dennenrupsen donkerder, op sommige plekken van het lichaam bijkans zwart; met name is dat met den kop het geval.

Kort na de vervelling zijn zij veel lichter groen gekleurd. Wanneer men eene rups aanraakt, scheidt zij een geel- of groenachtig vocht af. Van de volwassen rupsen gaan er tot in een Liter. De pop is glimmend bruin, 18 m. Zij ligt in den grond of in het strooisel, niet door een cocon bedekt.

Aan het achtereinde twee dorentjes. Op de rugzijde van het 4e lid bevindt zich een overdwars liggend groef - je, door een donker gekleurd walletje omgeven. Grootste afmetingen van het wijfje PI. De lang- werpige voorvleugels hebben eene geel-roodachtig grijze grond- kleur. Twee lichte zigzaglijnen loopen op eenigen afstand van elkaar langs den buitenrand.

Verder eenige witachtige vlekjes, die aan de voorvleugels een bont, gevlekt voorkomen geven. Ove- rigens is de teekening zoowel als de kleur 'dezer vleugels bij ver- schillende individu's nogal verschillend. Er zijn ook exemplaren, die vrijwel grijs zijn en weinig rood meer bevatten. De met wollige haren bekleede kop en het borststuk hebben de grondkleur der voorvleugels, terwijl het achterlijf en de achtervleugels bruin- achtig grijs zijn.

De achtervleugels hebben wit franje. De sprieten 30 van het wijfje zijn draadvormig ; die van het mannetje vertoonen twee rijen korte zaagtand] es, welke weer korte borstels dragen. Het einde van het achterlijf is bij het mannetje vanlange haren voorzien, bij het wijfje niet. Bij het verlaten van de pop kruipen de uilen tegen de dennen- stammen op en blijven daar eenige uren, alvorens zij kunnen wegvliegen. Men ziet ze vliegen vroeg in het voorjaar, soms reeds in de tweede helft van Maart en verder in April, enkele jaren tot in Mei.

Verloren i deelt mee, dat in de uilen, wegens den buitengewoon zachten winter, reeds in Februari begonnen uit te komen, en dat zij vóór April reeds alle uit de pop waren gekropen. Eene zoo vroegtijdige ontwikkeling echter schijnt slechts hoogst zelden voor te komen, want geen andere schrijver maakt daar verder melding van. Niet slechts bij nacht vliegen de uilen, maar ook over dag ziet men ze tusschen de dennen rondvliegen ; soms, als er wilgen in de nabijheid der grove dennen zijn, ziet men ze op de bloeiende wilgenkatjes om honig te zuigen.

Doorgaans echter worden de uilen tegen den avond meer beweeglijk dan over dag; de paring grijpt altijd bij avond of bij nacht plaats, bij voorkeur bij warm weer. Van koud weer, zooals wij dat in Maart en April vaak kunnen hebben, lijden de uilen veel; soms sterven ze dan zonder hun geslacht te hebben voortgeplant.

Zeker is het ten deele daaraan toe te schrijven, dat eene sterke vermeerdering van de gestreepte dennenrups slechts bij uitzondering voorkomt.

Schopt men in Maart of April met kracht tegen dennenstammen, dan ziet men op koude dagen de uilen uit de boomen vallen, terwijl men dit op warme dagen niet ziet gebeuren, daar de uilen dan óf rondvliegen, óf in de kronen der boomen zittende, zich stevig vasthouden. Nu is het bekend, dat in 't al- 1 Zie Mr. Hij schrijft, dat deze zijne waarnemingen omtrent de wijze van leggen van de eieren heeft gedaan bij uilen, die in gevangenschap verkeerden, n.

Hij meent, en zonder twijfel terecht, dat men uit het gedrag van het dier in gevangenschap niet mag afleiden, dat het in het bosch zich ook zoo zou gedragen. Altum maakt verder melding van het volgende feit: Dit zou, volgens Altum, on- mogelijk zijn, wanneer de dennenuil zijne eieren altijd in reeksen van 6 — 8 stuks of zelfs meer aan ééne naald legde Ratzeburg teekent er zelfs 17 op eene enkele naald! Ook door mij werd herhaaldelijk het feit geconstateerd, dat men in gewone jaren uit de meeste denneboomen in 't geheel geene gestreepte dennenrupsen kan uitkloppen, uit sommige andere slechts één of twee, althans nooit bijv.

Maar 't is bekend, dat de gestreepte dennenrups uiterst gevoelig is voor minder gunstig weer, vooral in hare jeugd en ook later 1 Altum. Er zijn echter eenige soorten, die ze aan houtige planten déponeeren, zooals de krake- ling Diloba coeruleocephala , die zijne eieren altijd afzonderlijk aan stam, takken en twijgen van allerlei loofhout en ooftboomen legt, — de abrikozenuil [Acronycta tridens V.

Toch vond ik in jaren van sterke vermeerdering de eieren van den gammauil soms in groote massa's bij elkaar aan kruidach- tige planten. Overigens heeft Ratzeburg blijkbaar niet alleen in zijne kweekkastjes de eieren op rijen aan de naalden zien zitten. Blijkbaar heeft Ratzeburg dus ook wel de eieren aan de naalden van gevelde dennen waargenomen, vastgehecht op de door hem aangeduide wijze.

Toch schijnt de dennenuil inderdaad niet altijd zijne eieren in rijen aan de naalden vast te hechten. Immers Bechstein 2 schrijft, dat het wijfje gewoonlijk hare eieren ieder afzonderlijk aan den top der naalden vastkleeft, en alleen wanneer de uil zeer veel voorkomt, 2 tot 4 eieren aan ééne naald legt, terwijl ook Pfeil 3 vermeldt, dat het wijfje de eieren aan den top der naalden deponeert.

Het komt mij voor, dat het eierleggen niet altijd op de zelfde wijze geschiedt; dat soms de eieren afzonderlijk aan de naalden worden vastgehecht, aan iedere naald één; maar dat andere keeren, met name als er zeer veel uilen zijn, de eieren op rijen langs eene naald worden vastgekleefd.

En daar men in 't alge- meen op het eierleggen van den dennenuil niet veel zal letten in jaren, waarin er niet veel uilen vliegen, en bovendien alleen bij een gevelden boom de wijze van bevestiging der eieren waar- neembaar is, zoo zal het vastkleven van de eieren afzonderlijk wel niet zoo heel vaak worden waargenomen.

Escherich i geeft als het aantal eieren, dat eene vrouwelijke dennenuil kan leggen, op: Laatstgenoemde geleerde schrijft mij, dat een zijner adsistenten in het achterlijf van een rijp wijfje eenmaal zelfs tot eieren heeft gevonden.

Korten tijd vóór het uitkomen der rupsen worden de eieren roodachtig van kleur. Dit jaar kwamen zij, volgens door mij ontvangen be- richten, onder Doorn ook vretende voor aan berken. Heidemaatschappij, die mij vele belangrijke gegevens omtrent het voorkomen van de dennenrupsenplaag in verschillende deelen van ons land ver- schafte, meldt mij, dat de rupsen op onderscheiden plaatsen ook aan de naalden van de Douglas-spar, aan die van Chamycae- paris Menziezii en aan de bladeren van berk en Amerikaanschen eik vretende werden aangetroffen.

Bij laatstgenoemde boomen werd, volgens den Heer Van Lonkhuyzen, de bladsteel door- gevreten, maar de bladschijf niet aangetast. Heide- maatschappij, schrijft, dat het voedsel van de gestreepte dennen- rups wel bijna steeds uit dennennaalden bestaat, maar dat bij gebrek hieraan ook naalden van Douglassparren en Sitkasparren worden beknaagd.

Het blijft intusschen nog de vraag, of de dennenuil ook zijne eieren aan de naalden of bladeren van andere boomen dan den groven den legt. Immers de gestreepte dennenrups is een insekt, dat zeer kies- keurig is: In ISjarige en jongere bosschen wordt ook wel eens nu en dan eenige beschadi- ging waargenomen, maar veel heeft die gewoonlijk niet te be- teekenen, en meestal vertoont zij zich daar slechts sporadisch en aan enkele boomen, die ook nooit geheel worden kaalge- vreten.

Blijkbaar heeft men te doen met eene vreterij door insek- ten, die als zeer jonge rupsen uit andere bestanden in de buurt zijn komen overwaaien of daar heen heengetrokken zijn. Is een groote denneboom geheel kaalgevreten, dan laten de rupsen zich op den grond vallen en begeven zich naar een ande- ren denneboom, waar zij weer tegen den stam opkruipen, om te zien of daar wat te halen is.

Is dit niet het geval, dan probeeren zij het bij nog een anderen denneboom. Door dat heen en weer- trekken, stam af en stam op, zonder dat het haar gelukt, passend voedsel te vinden, geraken de rupsen uitgeput en worden zij zeer traag i. Wanneer een bosch zoo goed als geheel is kaalgevreten, trekken de dennenrupsen soms in groote scharen uit het bosch weg, soms over wegen heen, om zich in een ander bosch te vestigen.

Ontmoe- ten zij dan op hunnen weg andere Coniferen, dan gaan zij ook daaraan vreten; zelfs tasten zij bij uitzondering loofhout aan. Terwijl in eene conferentie, welke op 25 September j.

Van Dissel, Inspecteur van het Staatsboschbeheer, de volgende Heeren bijeen om te spreken over de heerschende dennenrupsenplaag en om na te gaan wat zou kunnen worden gedaan om eene herhaling der plaag te 'voorkomen: Jager Gerlings, adjunct-inspecteur van het Staatsboschbeheer; J.

Mulder, houtvester van H. Tutein Xolthenius, opperhoutvester van H. Mulder steeds eene verbreiding van het Westen naar het Oosten te hebben waargenomen, terwijl ook de Heer E. Zelf heb ik hieromtrent geene ervaring, en ook de in 't buitenland verschenen werken geven daaromtrent geen licht. Het komt mij het meest waarschijnlijk voor, dat de verbreiding der plaag niet al- tijd in dezelfde richting plaatsvindt, maar dat de rupsen grooten- deels trekken in die richting, waar zich nog dennen bevinden, die nog niet zijn kaalgevreten ; ofschoon uit de mededeelingen van den Heer Vogel te Apeldoorn wel degelijk blijkt, dat de rupsen zich daarin nog wel eens vergissen.

Ook de wind kan bij de uit- breiding der plaag zeker eene rol spelen, meer bepaaldelijk in den tijd, dat de rupsen nog klein zijn en draden spinnen. Dan kunnen zij in grooten getale van den eenen boom naar den ande- ren overwaaien, al geschiedt dit met de jonge gestreepte dennen- rupsen niet in die mate als met de jonge rupsen van den non- vlinder, die in hare eigenaardig gebouwde haren een apart apparaat voor de verspreiding door de lucht bezitten.

De vreterij der gestreepte dennenrups wordt eerst tegen het einde van Mei of in 't begin van Juni, op een tijd, dat de rupsen haar spinvermogen hebben verloren, duidelijk zichtbaar. Meestal tegen het laatst van Juli zijn de rupsen volwassen; echter kan dit in sommige jaren reeds het geval wezen in 't laatst van Juni, andere jaren eerst in Augustus. In jaren van sterke vermeerdering bereikt soms een betrekkelijk groot aantal rupsen den toestand, waarin zij gaan verpoppen, eerst in Augustus of nog later; enkele levende rupsen werden in nog in Novem- ber gezien.

Op 29 Juli waren in sommige bosschen op de Veluwe, welke ik bezocht, de rupsen reeds alle uit de boomen verdwenen ; in andere bosschen echter vielen er, als men de stammen in schudding bracht, nog vrij talrijke rupsen uit de boomen, en daaronder sommige, die nog niet veel meer dan half volgroeid waren.

Waarschijnlijk waren dat dennenrupsen, bij welke de geregelde voeding gedurende langeren of korteren tijd onder- broken was geweest, doordat zij zich uit een geheel kaalgevreten boom hadden laten vallen om na eenig rondtrekken in een ande- ren terecht te komen, waar nog voedsel was te vinden. De on- gelijkmatige groei der verschillende individu's is in jaren van de Koningin, te Apeldoorn ; Dr.

Oudemans, president der Nederl. Entomologische Vereeniging en van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, te Putten, en ondergeteekende.

De volwassen rupsen begeven zich naar den grond: Vaak hoopen zij zich een korten tijd lang aan den voet der stammen op; later bewegen zij zich gewoonlijk nog een poosje over den grond voort, alvorens zich te verschuilen op de plaats, waar zij in pop gaan veranderen; zoodat men niet juist altijd onder een boom, waarin zeer veel rupsen zaten, later ook zeer veel poppen vindt. De rupsen zoeken blijkbaar naar eene gelegenheid, die haar voor de verpopping en overwinte- ring het meest geschikt lijkt, Waar de grond dicht met mos of strooisel bedekt is, blijven zij meestal in deze bodembedekking.

Gaarne kruipen zij in een hoop molm weg, dat ontstaan is uit een vergaan stuk hout; op zulke plaatsen vindt men soms later groote massa's poppen in een hoop bijeen. Waar de bodem vrij kaal is, daar kruipen zij gewoonlijk eenige centimeters diep in het zand weg. Kortom zij richten zich er geheel op in om zoo goed mogelijk tegen de winterkoude beschut te zijn. Dat hebben zij dan ook wel noodig, omdat de pop van de gestreepte dennen- rups niet door een cocon bedekt is.

Dikwijls vindt men reeds in Juni eenige poppen op de bovenaangegeven plaatsen; in Juli wordt haar aantal daar veel grooter ; in Augustus vindt men, be- houdens enkele uitzonderingen, allen verpopt. De poppen blijven gewoonlijk tot in Maart of in April op hare schuilplaatsen liggen; dan komen de uilen te voorschijn. In 't algemeen vreten de jonge gestreepte dennenrupsen aan- vankelijk de jonge naalden op, die zich pas aan de zich ontwikke- lende scheuten hebben gevormd.

Hoitsema; , bl. Het overgebleven gedeelte van de naald wordt nu door de rupsjes af gevreten, en wel zoo, dat zij zich geheel in de scheede, die de beide naalden omvat, invreten, en door het wegvreten van alle jonge naalden de knopontwikkeling voor het volgende jaar onmogelijk maken.

Een zoodanig bosch, zegt de Heer Brants, heeft het aanzien als ware het door een boschbrand verschroeid. De schildering, die Dr. Wttewaall van de wijze van vreten van de gestreepte dennenrups geeft, is zeker in 't algemeen juist. Toch grijpt de vreterij niet altijd geheel op de door hem aangewezen wijze plaats. Regel is het zonder twijfel, dat de jonge gestreepte dennen- rupsen beginnen met de jonge naalden van de meischeuten aan te tasten; maar dit schijnt toch geen regel zonder uitzonderingen te zijn.

Althans de Heer Insinger op Oostereng aan den Grind- weg tusschen Bennekom en Heelsum, verzekerde, dat in zijne dennenbosschen juist de oude naalden werden aangetast, ook door de nog jonge rupsen. Hoewel ik geen gelegenheid had mij persoonlijk van de juistheid van deze waarneming te overtuigen en ik ook in de literatuur daarvan geene voorbeelden vond ver- meld, twijfel ik daaraan in 't geheel niet. Misschien zijn in de bosschen van den Heer Insinger de meischeuten door de eene of andere oorzaak laat uitgeloopen en waren de jonge rupsen dus verplicht, althans in den aanvang, zich met oude naalden tevreden te stellen, en zijn zij, eenmaal aan dien kost gewend, daarbij gebleven.

Dat de jonge gestreepte dennenrupsen vaak beginnen met een groot stuk van de jonge naalden af te bijten zie PI. In had ik tot mijn spijt in 't begin van de plaag geen gelegenheid, aangetaste dennenbosschen te bezoeken.

Toch schijnt dat afbijten van de grootste stukken der jonge naalden door de jonge rupsen althans niet geregeld voor te komen Immers andere schrijvers dan Wttewaall maken van deze eigenaardigheid geen afzonderlijke melding. Volgens laatstgenoemden schrijver vreten de jonge rupsen, nadat zij de grootste helft van de jonge naalden hebben afge- beten, niet alleen de basale gedeelten van deze naalden op, maar Wttewaall zegt, dat zij zich ook geheel invreten in de scheede, die de beide naalden omvat; m.

Die op het ein- de van de als regel kort blijvende takjes tusschen de beide naal- den gezeten knoppen zijn in gewone omstandigheden voor den boom van geen beteekenis, omdat zij zich dan niet verder ont- wikkelen. Maar in abnormale omstandigheden, bijv. Deze knoppen groeien tot scheuten uit. En nu heb ik verschillende bosschen op de hooge Veluwe, onder Ede, bij Doorn en Maarsbergen, die ik in den voorzomer geheel kaalgevreten zag, zoodat zij geheel dor 1 Judeich und Nitsche; t.

Ook de Heer E. Dingeb te Lunteren schrijft mij medio October: Van naderbij gezien blijken de afgevreten scheuten verscheiden slapende knoppen te hebben ontplooid en nieuwe naalden te heb-ben verwekt. Opmerkelijk is het echter, dat daarbij van geen regelmaat spake is. De naalden zijn zeer willekeurig over de scheuten verspreid ; waar de keurige afgepastheid van de plaat- sing der naalden in normale omstandigheden treft, stuit men nu op een onregelmatigen wasdom ; ik kan het niet anders uitdruk- ken dan: Maar als geen voortgezette of nieuwe beschadiging zich voordoet, geloof ik dat wij onze bosschen zullen behouden.

Overigens is het wel zeker, dat de gestreepte dennenrupsen dikwijls wèl de scheedeknoppen vernielen of althans de latere uit- groeiing daarvan onmogelijk maken, al geschiedt dit niet altijd op de wijze als Wttewaall aangeeft. Dat dan die nog zoo kleine naalden geheel tot aan de basis toe worden opgegeten en dat dan tevens allicht de aan die basis geplaatste kleine knop wordt vernield of beschadigd, ligt voor de hand.

Ratzeburg - schrijft, dat de jonge rupsen zich in de mei- scheuten inboren, waardoor deze reeds spoedig gaan sterven, tengevolge waarvan de in de twijgen beschikbare voedende stof- fen, die anders voor de verdere ontwikkeling der scheut zouden hebben gediend, nu bewerken dat de zich tusschen de naalden van de vóórjarige twijgen bevindende knoppen gaan zwellen en 1 JuDEicH und Nttsche, t.

Die Waldverderber und ihre Feinde" 6e druk, bl. Later beknaagt zij de naalden, van de randen af ; ten slotte vreet zij deze geheel af, met de scheeden ; vaker aan de benedenste takken dan hooger in den boom. Leipzig, deel I, bl.

Maar aan deze worden de eieren niet gelegd. Verder komt het mij onwaarschijnlijk voor, dat de. De rups klimt vol- gens hem tegen de naald op tot dicht aan den top toe, en begint dan aan den eenen kant daarvan te vreten ; meestal vreet zij dan op eene plaats de naald zoover door, dat de top der naald naar beneden valt; doorgaans het kleinste gedeelte daarvan.

Dan gaat de rups door met vreten, en strekt hare vreterij uit tot bin- nen in de scheede waarbij dan dikwijls ook wel de tusschen de scheede zittende knop zal worden uitgevreten. Eckstein zegt verder ongeveer het volgende: De aldus aangetaste scheuten hangen naar beneden en kunnen, als zij blijven doorgroeien, zich aan haar uiteinde Aveer oprichten. Schalen, Schlagen und Verbeiszen an lebenden Waldbaumen entsteht" Berlin, , deell, bl.

Volgens Ratzeburg wordt het doodgaan van den kroontop in hoofdzaak veroorzaakt door het ontstaan van een overgroot aantal. Overigens wil ik mij hier niet verder verdiepen in de uitvoerige mededeelingen en ver- klaringen, die Ratzeburg omtrent de ,,8piesse" der dennen- boomen en hun ontstaan geeft; wat hij daaromtrent meedeelt, is soms alles behalve duidelijk en overtuigend.

Ook heeft nie- mand later het doodgaan van heele kroontoppen als gevolg van de vreterij van de gestreepte dennenrups kunnen constateeren ; en sommige van Ratzeburg's afbeeldingen zie bijv. Plaat l t van zijn. Uit het bovenstaande blijkt, dat de waarnemingen en op- vattingen van de verschillende schrijvers over de dennenrupsen- vreterij elkander op niet weinige punten tegenspreken. Deels kan dit het gevolg zijn van het trekken van onjuiste conclusies zoo- als door Ratzeburg werd gedaan in zake het vermeende ont- staan van doode toppen in de kronen tengevolge van de vreterij der gestreepte dennenrupsen , deels kan het zijn, dat door ver- schillende onderzoekers ten onrechte werd aangenomen, dat de rupsen in de vrije natuur zich op de zelfde wijze zouden ge- dragen als zij dat deden in den gevangen toestand, waarin de waarnemingen werden gedaan.

Maar toch schijnt het dat de bedoelde insekten zich niet onder alle omstandigheden precies gelijk gedragen. Evenals de wijze van eierleggen in rijen bijeen aan de naalden of ieder ei afzonderlijk verschillend schijnt te zijn alnaarraate de rupsen in normaal of in abnormaal groot aantal in de dennenbosschen voorkomen zie bl. Het laat zich hooren, dat in bosschen, waar de rupsen in overmatig groot aantal aanwezig zijn, zoodat de boomen voor al die rupsen geen voedsel genoeg opleveren, eenvoudig alles wordt opgevreten: Op een boom, waar het aantal rupsen veel minder groot is, schijnen deze zich te bepalen tot het af vreten van de naalden.

De gestreepte dennenrups heeft onder gewone omstandigheden. Vrij zeker heeft ook de temperatuur invloed. Vrij algemeen bestaat de meening, dat een dennenbosch, 't welk kaalgevreten is, per se moet afsterven, zoodat raadzaam zou zijn, een zoodanig bosch hoe eerder hoe beter te vellen.

Dit is eene meening, waartegen met kracht dient te worden opgekomen. Eerst als men zeker weet, dat het bosch zich niet zal herstellen, moet men het gaan kappen ; en dat moet dan ook niet worden uitgesteld: De Inspecteur van het Staatsbosch- beheer heeft zeer terecht reeds in den afgeloopen zomer in ver- schillende dagbladen tegen overijlde velling van sterk beschadig- 1 Reeds bij gelegenheid van de nonvlinderrupsplaag, die in vooral in de dennenbosschen bij Tilburg en Alphen N.

Het is bekend, dat naaldboomen in 't algemeen veel meer lijden, wanneer zij worden kaalgevreten, dan loofboomen. Bij een loof boom, die in 't voorjaar geheel kaal- gevreten is, loopen zeer spoedig weer knoppen tot bebladerde twijgen uit, zoodat bijv. Bij een naaldboom blijven de naalden meerdere jaren zitten; bijv.

Wordt dus een grove den totaal kaalgevreten, dan zal deze — wanneer hij in leven blijft en slechts op normale wijze naalden vormt — eerst drie jaar na den kaalvraat weer het normale aantal naalden bezitten.

De assimilatie en daarmee de groei van den kaalgevreten denneboom zou derhalve pas drie jaar na den kaalvraat weer normaal kunnen zijn. Een loof boom, die in 't zelfde jaar, waarin hij werd kaalgevreten. Lijden dus in 't algemeen de naaldboomen van kaalvraat, veel meer dan de loofboomen, — niet alle naaldboomen ver- houden zich in dezen gelijk.

JEen bosch van grove dennen, dat geheel of bijkans geheel is kaal- gevreten, kan onder gunstige omstandigheden gespaard blijven; althans wanneer de insektenplaag het volgende jaar uitblijft. De voornaamste reden van dit verschil tusschen fijnspar en groven den is deze: Wan- 45 neer echter de eindknop eener scheut en de krans van knoppen, die vlak daaronder staat, vernietigd of benadeeld wordt, zoodat in 't volgende jaar van eene normale verlenging en vertakking van de scheut geen sprake kan zijn, dan kunnen de onder nor- male omstandigheden slapend blijvende, tusschen de twee naal- den geplaatste knoppen gaan uitgroeien tot van naalden voor- ziene twijgen.

Zoodanige scheuten zitten elkaar vaak in den weg en benemen elkander lucht en licht; velen ervan komen dan ook slechts tot geringe ontwikkeling; vaak ontwikkelen zich de naalden aan zulke scheedescheuten niet normaal zie bl. In elk geval zorgen zij ervoor, dat er spoedig weer van naalden voorziene scheuten zijn, die maken dat de assimilatie niet geheel stilstaat. Een kaalgevreten sparreboom krijgt derhalve in het jaar van den kaalvraat geen nieuwe naal- den ; bij een groven den kan dat wel gebeuren.

Of dit geschiedt of niet, hangt veel af van de wateropname van den boom. Soms zwellen de slapende knoppen spoedig na den kaalvraat op en ontwikkelen zij zich nog in het zelfde jaar tot nieuwe scheuten; in andere jaren geschiedt dit eerst in 't jaar, volgende op de kaalvreterij. Het spreekt van zelf, dat wanneer bij een groven den de jonge scheuten geheel of bijkans geheel worden kaalgevreten, de eind- knop en de daaronder geplaatste krans van knoppen daarvan de gevolgen ondervinden.

Deze ontwikkelen zich dan minder goed dan in normale omstandigheden, en kunnen zelfs doodgaan. Dat zijn scheedescheu- ten, die zoo goed als niet in de lengte groeien, zoodat de naalden zeer dicht opeen in een rozet geplaatst zijn, op de wijze als de bladeren van eene huislookplant op den kort gebleven stengel.

Soms hebben die opeengehoopte naalden den gewonen vorm, maar soms zijn zij breeder dan gewoonlijk en aan hunne kanten van kleine tandjes voorzien PI. Al zullen de op elkaar gedrongen en elkander dik- wijls in den groei belemmerende naalden der rozetten zeker de assimilatie minder bevorderen dan die der gewone scheedescheu- ten, — het komt mij voor, dat het voor den boom toch beter is, dat zij zich vormen dan dat elke vorming van nieuwe van naalden voorziene scheuten achterwege bleef.

De naalden der rozetten assimileeren dan toch in elk geval nog wat; en wanneer bij totalen kaalvraat elke vorming van nieuwe scheuten in het jaar der vreterij achterwege bleef, zou in dat jaar van assimilatie in 't geheel geen sprake kunnen zijn. Dat zij den boom zouden uitputten, zooals Nusslin beweert, is mij niet duidelijk.

Ik ben van meening, dat de rozetten wel degelijk meehelpen, om den kaalgevreten boom in leven te houden. Toch wil ik gaarne aannemen, dat zij een slecht voorteeken zijn. Het ontstaan van rozetten in plaats van gewone scheede- scheuten is derhalve een bewijs, dat de sapstrooming in den boom zwak is, m. Wat de tweede rubriek van boomen betreft, kan met eenigen grond worden vermoed, dat niet veel kans hebben zich te herstellen die kaalgevreten dennen, van welke de knoppen aan den top der in 't voorjaar gevormde scheuten voor een groot gedeelte dood zijn en waar de groene tint der kronen het gevolg is van het ontstaan van talrijke rozetten.

Ook als de in 't voorjaar gevormde scheuten en zelfs de vóórjarige twijgjes in den winter slap en week zijn, is dat een slecht voorteeken.

Algemeen werd vroeger de gestreepte dennenrups voor een der gevaarlijkste, zoo niet voor de allergevaar lij kste, gehouden van de verschillende rupsensoorten, die onze dennenbosschen kunnen teisteren. Wtte- WAALL 4 vermeldt, dat in en in Gelderland Hektaren dennenbosch door de gestreepte dennenrups werden aangetast, en dat daarvan Hektaren geheel werden ver- nield; dus bijkans de helft van de aangetaste bosschen zouden toen te gronde zijn gegaan.

Van toen af aan besloot hij, na een dennenrupsen- plaag eene meer afwachtende houding aan te nemen, en sinds- dien kon hij meerdere malen constateeren, dat er door vreterij van de gestreepte denneni'ups, zelfs bij totaal kaalvreten, be- trekkelijk zeer weinig hout doodging. Toen men, waarschijnlijk tengevolge van de door Ratzeburg opgedane ervaringen, in Duitschland meer algemeen het dadelijk vellen van de door de gestreepte dennenrups kaalgevreten bos- schen naliet, en liever eerst wachtte om te zien, hoe de boomen zich na de vreterij hielden, schijnt men daar vrij algemeen te hebben vastgesteld, dat de gevolgen dezer vreterij in zeer vele gevallen werkelijk niet zoo ernstig zijn, als men zich vroeger voorstelde.

In de afdeeling Borne- mannspfuhl van het Biesenthaler distrikt was er kort vóór mijne vestiging te Eberswalde een ernstige vreterij van de gestreepte dennenrups geweest. In en '70 kenmerkten zich de het ergst aangetaste gedeelten nog door zeer dunne kronen. Nu echter is er nauwlijks meer verschil te zien tusschen deze gedeelten en andere perceelen van gelijken leeftijd. Echter zijn daar in de eerste jaren na de vreterij meer dunne stammen dood- gegaan dan elders Men schijnt aan de vreterij van deze rups vroeger eene veel te groote schadelijkheid te hebben toe- geschreven.

Alleen bij het optreden van rozetten is het doodgaan van de boomen hoogst waarschijnlijk. Het behoeft wel geen betoog, dat het verschil in bodem en standplaats en de gesteld- heid van het weer, alsmede het al of niet terugkeeren van de plaag in het volgende jaar er grooten invloed op hebben, wat 1 Ratzeburg,. Algemeen wordt in Duitschland de gestreepte dennenrups minder gevaarlijk geacht dan de dennenspinner. Het lag eenigszins voor de hand, a priori aan te nemen, dat de gestreepte dennenrups veel schadelijker zou zijn dan de den- nenspanrups, omdat zij zich zooveel eerder in 't jaar in de den- nenbosschen vertoont.

Eerstgenoemde vreet in den voorzomer Mei tot Juli , de tweede in de tweede helft van den zomer tot in den herfst Juli tot October. De gestreepte dennenrups ver- nielt dus de naalden reeds in 't begin van het vegetatietijdperk; laatstgenoemde laat althans hun nog een halven zomer den tijd om te functioneeren.

Daarbij komt, dat de gestreepte dennenrups, althans gewoon- lijk, in jeugdigen toestand de pas uitgeloopen naalden der mei - scheuten vernielt, en eerst later de oudere naalden gaat af vreten; terwijl de dennenspanrups uitsluitend deze oudere naalden eet en slechts dan de naalden van het laatste jaar aantast, wanneer er anders niets meer te eten is. Ook vreten de gestreepte dennen- rupsen soms de tusschen de naaldenparen gezeten knoppen uit, en komt het misschien voor, dat zij de jonge meischeuten zelve aanvreten.

Bij de dennenspanrups niets van dat alles. Ofschoon alleen de ervaring kan beslissen, welk van de twee insekten ge- vaarlijker voor de bestanden is, zoo schijnt het toch wel voor de hand te liggen, dat de gevolgen van eene sterke vreterij door de gestreepte dennenrups veel ernstiger voor de bosschen zullen zijn, dan die van eene even sterke vreterij van de spanrups.

Maar hoewel ik dit in 't algemeen ook zonder aarzelen aan- neem, zoo geloof ik toch, dat — althans bij volkomen kaalvraat — enkele malen het omgekeerde het geval kan zijn. De vreterij van de gestreepte dennenrups grijpt zóó vroeg in 't jaar plaats, dat er voldoende tijd is voor de vorming van ,, scheedescheuten", waardoor het in den voorzomer kaalgevreten bosch in den na- zomer en tegen 't najaar weer eenigszins groen wordt.

Een boom, die eerst in den nazomer en den herfst al zijne naalden verliest, kan in dat zelfde jaar geen scheedescheuten vormen: Ik bezocht verschillende streken, waar de vreterij voorkwam, zooals Zeist, Doorn, Maarsbergen en omgeving, Ben- nekom en Dieren.

Ik wendde mij tot verschillende beheer- ders van bosschen, die mij zeer waardevolle inlichtingen gaven, en vernam ook bij gelegenheid van de bespreking, die op 25 Sep- tember op initiatief van den Heer Van Dissel te Utrecht gehouden werd, van de in de noot op bl.

Nadere inlichtingen omtrent de plaag op de Over-Veluwe met schets- kaartjes, waarop de aangetaste perceelen waren aangeduid, liet de Heer Tutein Nolthenius mij op mijn verzoek door den Hof jager J.

Heide-Maatschappij, den Heer J. Aan allen, die mij bij de verzameling van gegevens hunnen steun hebben verleend, bied ik mijnen hartelijken dank; inzonderheid aan de Heeren Tutein Nolthenius en Van Lonkhuyzen, aan wie ik wel de meeste gegevens te danken heb.

Voor zoover ik heb kunnen vernemen, kwam eene abnormale vreterij van de gestreepte dennenrups voor in de volgende streken: Bij Raalte de Luttenberg 5 H. Wat de Noordelijke Veluwe betreft, de rups is in 't algemeen tot meer dan normale vermeerdering gekomen in alle dennen- bosschen, die men aantreft in den vierhoek, gelegen tusschen Apeldoorn, Voorthuizen, Harderwijk, Nunspeet, Epe en Apel- doorn; echter maar zeer weinig in het gedeelte van dezen vijf- hoek, gelegen ten Oosten van de lijn Garderen, Elspeet, Gortel Epe.

In sommige gedeelten van dit Oostelijke stuk van den 51 bovenaangeduiden vierhoek was zelfs in 't geheel geen sprake van eene abnormale vermeerdering; zoo bijv. Zoo zijn in de buurt van Staverden, in het Leuvenumsche het Sprielder en het Speulderbosch groote stukken in erge mate beschadigd.

Een groot bosch bij Welna, Noordoostelijk van Vierhouten, is over zijne geheele oppervlakte beschadigd, maar slechts zeer weinig, zoodat men nauwlijks van eene beschadiging kan spreken.

De Heer Van Lonkhuyzen bericht mij, dat het zeer moeilijk is, een eenigszins juiste opgave te verstrekken van het aantal Hektaren, dat in den vierhoek Apeldoorn- Voorthuizen-Harder- wijk-Nunspeet-Epe- Apeldoorn is aangetast; maar hij meent te mogen aannemen, dat daar omtrent Hektaren sterk be- schadigd en ruim Hektaren in miiidere mate beschadigd zijn.

Bij Lunteren is, volgens mededeelingen van den Heer R. Deze bosschen liggen op den Berg, op de grens van Lunteren en Wekerum. Koker te Arnhem behoorende bosschen zijn 9 Hektaren sterk aangetast.

Onder Renkum werden 20 Hektaren kaalgevreten op Bosch - beek en Buunderkamp. Onder Arnhem werden op den Kemperberg nabij Schaars- bergen 25 Hektaren en in de gemeentebosschen Hektaren zeer beschadigd. In het,, Lierderbosch" strekte zich eene aantasting over enkele Hektaren uit.

Verder kwamen er minder belangrijke aantastingen voor op den Michelenberg en bij de Woeste Hoeve. In de omstreken van Soest, Soestdijk en Baarn, waar ik een onderzoek instelde, kwam de plaag niet voor evenmin in het Gooi. Aansluitend aan Wallenburg ligt, naar de Heer W. Het geheel in de bos- schen gelegen Austerlitz ligt te midden van sterk bevreten dennenbosschen. Op het landgoed Ruitersberg te Doorn werden nog 20 Hek- taien oud bosch zeer sterk bevreten.

In de buurt van Driebergen werden op het landgoed van Mejufvrouw Luden 48 Hektaren ongeveer 20 jarige dennen erg beschadigd, üp de bezittingen van den Heer Godin de Beaufort werden 25 Hektaren 70 — 80 jarige dennen sterk aangetast; min- der sterk werden beschadigd 20 Hektaren ongeveer 40 jarigeen Hektaren 25 tot 30 jarige grove dennen.

Onder Amerongen zijn van Graaf van Alden burg Bentinck meer dan Hektaren oude en jonge bosschen meer of minder sterk aangetast, waarvan ruim een 30 Hektaren in zeer hooge mate. Het kan natuurlijk zijn, dat op nog enkele andere plaatsen in ons land eenige beschadiging voorkwam; allerwaarschijnlijkst was deze echter van betrekkelijk geringe beteekenis.

Het verdient opmerking, dat bijna overal waar de gestreepte dennenrups zich vrij sterk of zeer sterk had vermeerderd, de nonvlinderrups ook in grooter aantal voorkwam dan in normale jaren.

Ik vermeld dan ook het boven- staande alleen voor de curiositeit. De commissie schreef, dat zij inzage had gehad van verschillende stukken, verslagen, enz. Landbouw", eene algemeene opgave en bekendmaking van die middelen te doen, welke in de voor ons liggende stukken met zoo veel nauwkeurigheid en veel belovend uitzigt, als op de beste gronden eener verstandige Theorie en ondervinding steunende zijn opgegeven. Gelukkig dat de commissie althans de door haar zelve uitgedachte kostelijke, niaar ook kostbare bestrijdingsmiddelen niet aan het nageslacht heeft onthouden!

Het schijnt, dat niemand van degenen, die iets geschreven hebben over de dennenrupsenplaag, welke in en in ons land heerschte, iets van die plaag zelve gezien heeft; omtrent de uitgebreidheid der plaag, omtrent de gevolgen der vreterij, om- trent middelen, die men eventueel ter bestrijding heeft aange- wend niet: Toen zijn vooral door Dr.

Brants in Gelderland en door Mr. Verloren in Utrecht nauwgezette en uitvoerige onderzoekingen aangaande de plaag ingesteld. Zoo vaag en onnauwkeurig de aanteekeningen zijn, die ons ter beschikking staan omtrent de dennenrupsenplaag in en , zoo nauwgezet en uitvoerig zijn de waarnemin- gen, die gedaan zijn over de plaag in — Backer te Oosterbeek bracht een verslag uit over een proef, door hem genomen, om door middel van het drijven van varkens in de bosschen de poppen te laten vernielen en daardoor de plaag voor een volgend jaar te trachten te voor- komen 2.

Verloren i hoogst belangrijke waarnemingen, terwijl hij ook een overzicht gaf van de door hem uit de rupsen gekweekte parasieten. Naar aanleiding van de in de jaren en gedane waar- nemingen, zij het mij vergund het volgende mee te deelen.

Ofschoon van eene eigenlijke plaag niet eerder dan in kon worden gesproken, zoo bleken toch reeds in de ge- streepte dennenrupsen op verschillende plaatsen in meer dan normaal aantal aanwezig te zijn; terwijl men op vele andere jjlaatsen, waar in dat jaar de meer dan normale vermeerdering der rupsen niet was waargenomen, toch reeds vroeg in vele pophuiden van den dennenuil en cocons of poppen van parasieten sluipwespen en parasietvliegen van dit insekt in het strooisel aantrof: In sommige bosschen vertoonde zich eene meer dan normale vermeerdering der rupsen eerst in , terwijl eene eigenlijke plaag ernstige vreterij of kaalvraat pas in optrad.

Zoo kon meer dan gewone vermeerdering reeds in te Zeist en de Vuursche worden geconstateerd, terwijl in daar vele bosschen ernstig werden aangetast of zelfs geheel kaal werden gevreten. Te Driebergen vertoonde zich eerst in eene meer dan gewone vermeerdering van de dennenrupsen, waar- op pas in eene ware plaag met kaalvraat optrad.

Ook in Gelderland kwam in sommige bosschen ernstige vreterij reeds in voor, in andere bosschen eerst in In had de plaag zoowel in Gelderland als in Utrecht overal geheel opgehou- den.

Omtrent de uitbreiding der plaag in en 45 vind ik voor Utrecht vermeld, dat in deze provincie ernstige vreterij en belangrijke beschadiging alleen werd waargenomen in bos- schen bij de Vuursche, Soest, Zeist en Driebergen. Wat Gelder- land betreft, zijn uitvoerige inlichtingen omtrent de uitbreiding der plaag in de verschillende gemeenten door de gemeentebestu- ren verstrekt aan eene corporatie, gevormd uit de toen bestaande 1 Mr.

Deze opgaven zijn in een Staat vereenigd, dien ik hieronder wil weergeven. Voor iedere gemeente ot meestal voor ieder daarbinnen gelegen bosch- distrikt werd zooveel mogelijk opgegeven lo de oppervlakte van van de daarin gelegen dennenbosschen, 2o de oppervlakte van de aangetaste perceelen bosch, 3o de oppervlakte van het ge- deelte daarvan, dat geheel vernield werd, 4o de leeftijd der aan- getaste dennen. Bosch van Mollerus Geen opgave Totaal Gelderlan 1.

Nadat toch de com- missie erop heeft gewezen dat. Verloren èn in Gelderland vooral door Dr. Brants, maar ook door de geheele Provinciale commissie in zake de dennenbeschadiging in en vele belang- rijke waarnemingen zijn geboekstaafd omtrent de leefwijze en de verbreiding van de gestreepte dennenrups, omtrent den aard en de intensiteit der beschadiging, omtrent middelen, die werden aangewend ter bestrijding van de plaag, alsmede omtrent de natuurlijke vijanden van het meergenoemde schadelijke insekt.

Inderdaad zal ieder het eens moeten zijn met wat Dr. Verloren zich uitmuntend van hunne taak gekweten heb- ben. Wat er in en op dat gebied 1 Dr. Zoo in 18H9 onder Otterloo en Ede, waar de vreterij van de gestreepte dennenrups toen ook, evenals nu, gepaard ging met eene ver- meerdering van nonrupsen boven het normale geta.

Volgens eene mededeeling van Dr. Oudemans waren de gestreepte dennenrupsen ook in de buurt van Zeist zeer talrijk in het jaar Volgens den Heer W. Voor België dus 5 Nederlandsche guldens, niet frs. Phytopa- thologische Vereeniging, Leidsche Vaart 86, Haarlem. Afzonderlijke afleveringev worden niet verstrekt. Voor plaatsing wende men zich tot den Onder- Voorzitter der Nederl.

Beknopt verslag van de excursie der Nederlandsche Phytopatho- logische Vereeniging naar Lisse en omgeving oj Zaterdag 21 Juni Daartoe aangezocht door Voorzitter en Secretaris der Vereeni- ging geef ik daarvan thans een kort verslag.

Van Slogteren niet in de gelegenheid was een nauwkeurig overzicht te geven van den stand zijner proef- nemingen betreffende de verschijnselen van het aaltjesziek in narcissen, hyacinthen en andere bolgewassen en betreffende de bestrijdingswijzen van deze ziekte, daar moest ik mij bepalen tot verschillende opmerkingen van algemeenen aard, tot eene oppervlakkige bespreking van de tentoongestelde praeparaten, foto's en teekeningen en tot het geven van eene korte toelichting van hetgeen 's middags te velde zou worden waargenomen.

Natuurlijk werden bij deze bespreking de verrichtingen van Dr. Van Slogteren zooveel mogelijk aangehaald, hoewel de bespreking daarvan anders de hoofdschotel zou hebben gevormd. Ik nam zijn werk echter als uitgangspunt. Mij komt deze bestu- deerings- en onderzoekingswijze de meest logische voor, omdat ze het snelst tot resultaat moet leiden.

Daarom heb ik haar ook voorgesteld aan de Algemeene Vereeniging voor Bloembollen- cultuur bij gelegenheid van mijne lezing over het aaltjesziek in de narcissen, voor die vereeniging te Haarlem op 26 Juni gehouden, nadat ik me vooraf van de medewerking van den Heer Directeur-Generaal van den Landbouw voor een der- gelijk voorstel had verzekerd.

Elk wetenschappelijk onderzoek, hoe scherpzinnig en degelijk ook geleid, loopt voortdurend gevaar van het voor de praktijk meest belangrijke doel te worden afgeleid, wanneer door het voortdurende contact met de be- hoeften van de praktijk van het betreffende vak geen of zelfs onvoldoende rekening wordt gehouden en het wezen van de onderhavige cultuur niet of onvoldoende tot den onderzoeker doordringt.

De bestudeering van eene bepaalde ziekte buiten de cultuur om en zeer in het bijzonder die, welke ter hand wordt genomen op plaatsen, waar de betreffende cultuur niet op normale wijze kan worden gedreven, moet daarom als regel leiden tot onjuiste, althans minstens tot minderdoelmatige adviezen en zeer zeker is dat het geval, wanneer dat onderzoek verricht wordt zonder geregelde veldwaarnemingen en cultuurstudies.

Het meest vruchtbare en het snelst tot het doel leidende onderzoek kan daarom slechts verricht worden te midden van de zieke cultuur zelf. Voorop toch staat bij de bestudeering van het ziektebeeld, dat de te infecteeren plant zich op volkomen normale wijze kan ontwikkelen en wel zooveel mogelijk onder gewone cultuur- omstandigheden.

In hoeverre dit bij de verschillende gewassen, waarvan ziekten in studie worden genomen, mogelijk is, wil ik in het midden laten. Voor de bestudeering der bloembollen- ziekten evenwel komt het me op normale wijze drijven van de cultuur elders dan in de bloembollenstreek vrijwel onmogelijk voor. En waar bijna elke cultuur buiten het district tot abnor- male ontwikkeling moet leiden, moeten de kunstmatig op te wekken ziekte-symptonen bij dergelijke gecultiveerde planten den terugslag daarvan in nadeeligen zin ondervinden.

Elke zich abnormaal ontwikkelende plant is voor de bestudeering van de ziektesymptonen van welke ziekte ook, voor hare verspreidings- 63 en bestrijdingswijzen een ongewenscht object.

Reeds daarom verdient een wetenschappelijk onderzoek te midden van het cultuurcentrum de meest warme aanbeveling. Nu stellen de bloembollen aan de groeivoor waarden zeer bij- zondere eischen. Daarom is die cultuur ook zoo gelocaliseerd. En in zeer bijzondere mate geldt dit voor de hyacinthencultuur, dikwijls voor de narcissencultuur en in veel mindere mate voor de tulpencultuur.

Wie daarom de ziekten der bolgewassen wil bestudeeren, infectieproeven enz. Ik wil daarom wijzen op enkele factoren, welke den normalen groei van de bolgewassen en meer bepaaldelijk dien van de hyacinth beheerschen: Onderstaande analyses geven op den aard van den hyacin- thengrond voldoenden kijk.

Ze hebben betrekking op mij be- kende gronden, terwijl de monsters door mij zelf genomen zijn. Het lage gehalte van de voor de plantenvoeding meest nood- zakelijke elementen komt hierin duidelijk uit en even zoo dat van het humus gehalte.

Alleen het kalkgehalte is hoog van de voor de hyacinthencultuur meest geschikte gronden. Deze kalk komt hier in den bodem voor als koolzure kalk en is afkomstig van schelpen. Hoe fijner die schelpen verbrokkeld zijn en hoe regelmatiger die fijnste brokstukjes door den grond heen ver- deeld zijn, van hoe grooter waarde is deze grond voor de cultuur. Zooveel mogelijk moeten de kalkdeeltjes niet of nauwelijks met het oog zichtbaar zijn.

En deze voorwaarde geldt nog niet zoo zeer voor den bovengrond, doch vooral voor den ondergrond met het oog op de diepe grondbewerkingen, welke gedurig worden toegepast.

Hierbij toch wordt de ondergrond naar boven gewerkt en de bovengrond naar beneden. Voor de cultuur, doch niet minder voor het optreden, verspreiden en bestrijden van plantenziekten, is dit punt van zeer veel gewicht. Naast het gehalte aan voedende bestanddeelen is de grootte der bodembestanddeelen van bijzondere beteekenis. De korrelgrootte is derhalve, als gevolg van de vormingswij ze van den grond, 64 bijzonder gelijkmatig. Voor de waterbeweging in den grond is dit van groot belang.

Tot op vrij groote diepte is Ie klasse hyacinthengrond vrij homogeen van samenstelling, waardoor het diep omwerken van den grond geen bezwaar oplevert wat den aard van den grond betreft. Bij grond van mindere kwaliteit is dat óf minder goed óf niet mogelijk, zooals dat bij meerdere narcisgronden het geval is.

Immers daar is de ondergrond veelal van geheel andere samenstelling en voor de teelt der betreffende bolgewassen dik- wijls absoluut ongeschikt. De bloembollenstreek behoort tot het waterschap Rijnland. De meeste bloemboUengronden staan in open gemeenschap met het boezemwater van dit waterschap.

Ongeveer 50 a 60 cm. Is een grondstuk te laag gelegen, dan wordt het opgehoogd, ligt het te hoog, dan wordt het af gezand. Regen of geen regen, de watervoorziening is daardoor, mede in verband met de samenstelling van den grond, steeds verzekerd door aan- voer vanuit het grondwater.

Natuurlijk kan in tijden van lang- durige droogte het bovenste grondlaagje uitdrogen, vooral van de hoogst gelegen, meest humusarme gronden. Toch lijden de bollen hoogst zelden aan watergebrek. Wel beïnvloedt veel of weinig regen de resultaten van het gewas, omdat daarmede zooveel andere zaken in verband staan: In 't algemeen is de geregelde watervoorziening echter ver- zekerd. Deze geregelde watertoevoer is van groote beteekenis. Zelfs luistert dit zóó nauw, dat de meer of minder diepe planting de grootte en de kwaliteit van de bollen beïnvloedt.

Bij diepere planting is b. Het vochtgehalte der bol schijnt daarbij grooter. Doch afgezien van deze meer kleine afwijkingen, welke met de watervoorziening in nauw verband staan, is de geregelde watertoevoer — ook in tijden van langdurige droogte — be- slissend voor het gelukken van de cultuur.

Unigrams Single tokens similar the top function words but then using all instead of subset. Although most distinguishing tokens appear be related content we do observe some stylerelated 5. Voorwoord Susan schrijft elke dag in haar dagboek. My family Main language Dit is de Deze woorden moeten leerlingen zowel passief als actief kennen. Males write more objective structures with the mentioned prepositions andeen.

Bosker Jorien Nadere informatie antwoordde ik. Assuming that any sequence including periods is likely to be URL provesunwise given spacing between normal wordsis often irregular. In this way we also get two confidence values viz. Met elkaar kennismaken Getting to know each other Dutch survival kit This contains phrases that can be helpful when living and working Netherlands 4.

Dit is les Beginners. Therefore if we ever want to automatically add metadata it will have be with as many information sources possible preferably only using that which various agree. As the input features are numerical we used IB with k equal to so that can derive confidence value.



Neuk me plat prive ontvangst zwanger

  • 194
  • TIETEN SPELEN GESCHOREN MEIDEN
  • Het hol worden is waarschijnlijk een gevolg van onregelmatige spanning in het weefsel tijdens den gi-oei, die h.
  • Lesbische spuitsex